Voorlezen
‘Tikke takke tonen, varkentje in de bonen…’ ‘Vis in ‘t netje, kind in het bedje’. Af en toe, heel vaak eigenlijk, schieten mij flarden van (kinder)gedichten te binnen.
Met ‘Een leeuw is eigenlijk iemand/ Die bang is voor niemand’ spreek ik mijzelf moed in. Schuldbewust fluister ik: ‘Ach, de spin Sebastiaan, het is niet goed met hem gegaan’, als ik in mijn schoonmaakwoede een spinnenweb kapotsla. Met ‘Ik wou dat ik twee hondjes was/ Dan konden we samen spelen’ wapen ik me tegen verveling. Heel vaak van toepassing is: ‘Als ik iets niet wil/ Dan zeg ik lekker bil!’ Niet hardop natuurlijk.
Het zijn versjes die mij ooit zijn voorgelezen, die ik mijn kinderen en hun vriendjes heb voorgelezen en waarmee ik nu mijn kleinkind in slaap murmel. Ze zijn in mijn DNA gaan zitten. Net zoals ik vaak mijn helden uit kinderverhalen terugzie: overal op straat lopen hartveroverende Rémy’s, Ciskes, Mathildes, Pluks en Teunissen (Teunis is de voetballende olifant van Toon Tellegen).
Ik denk dat veel mensen dat hebben. Als ze tenminste het geluk hebben gehad dat ze als kind veel zijn voorgelezen. Tegen een van je ouders aangeklemd zitten terwijl die je met de mooiste, engste en gekste stemmetjes een verhaal of gedicht voorleest – veiliger kan de wereld niet zijn.
Soms voel ik de neiging om de kinderliteratuur te beschermen tegen de didactici met hun goede bedoelingen
Natuurlijk zit er ook een leerzame kant aan kinderliteratuur. Dat weet ik heus wel. Met (voor)lezen verhoog je de woordenschat, het begrip van complexe zinnen en de kennis van de wereld. Je betreedt ongekende gebieden, oefent je in empathie en in moeilijke emoties. Door ‘interactief’ te lezen, jargon voor samen praten over wat je hebt gelezen, steek je nog meer op. Doe dat vooral heel vaak in de klas. Ook het gebruik van ‘mindmaps’ bij het voorlezen (zie het artikel ‘Hoe lees je een prentenboek voor?’) werkt ongetwijfeld goed.
Maar soms voel ik de neiging om de kinderliteratuur te beschermen tegen de didactici met hun goede bedoelingen. Bijvoorbeeld als ik lees dat je kinderen zou moeten vragen: ‘Wat is het probleem in het boek en wat is de oplossing?’ Dan begin ik even te sputteren. Probleem? Oplossing?
Literatuur is springlevend en zo onvoorspelbaar als het leven zelf. In verhalen en gedichten gaat het vaak om onmogelijke en ongerijmde, grappige of treurige zaken. Grote vreugde, groot verdriet. Om schoonheid en lelijkheid, macht en onmacht, liefde en haat. Ongewenste, gênante gedachten. Niet per se om oplosbare probleem.
Literatuur is meer dan hapklaar lesmateriaal, ook voor de kleintjes
Aan veel kinderverhalen en -gedichten ontbreekt iedere logica. Wat is het logische verband tussen de vis in het netje en het kind in het bedje, in bovenstaand kinderliedje? Het kind is toch geen prooi? Ja, de spin Sebastiaan, die had een probleem. Hij voelde, onweerstaanbaar, ‘zó’n ‘drang van binnen/ Tot het weven van een web’. Ook al zeiden andere spinnen honend: ‘Kijk, daar gaat hij met zijn Drang!’, hij móest dat web maken. Fataal. De volgende ochtend werd hij dood opgeveegd. Niks oplossing.
Laatst kreeg ik een klas met achtjarigen stil met het gedicht ‘Hond met bijnaam Knak’ van Jan Hanlo. De regels ‘Zijn tong, verhemelte, was rood/ Toen was het wit/ Toen was hij dood’ begrepen ze wel. Een zieke hond. Maar de regels erna waren een raadsel: ‘Hij was een hond/ Zijn naam was Knak/ Maar in zijn hondenlichaam stak/ Een beste ziel/ Een verre tak/ Een oud verbond.’ Wat betekent dit? We kwamen er niet uit, bij de interactieve nabespreking. Ik wist ook niet precies wat ‘een oud verbond’ was. Toch vonden we het een mooi gedicht, de kinderen en ik. En eigenlijk begrepen we het best. Dat is de magie van de literatuur. Geef die magie een kans. Literatuur is meer dan hapklaar lesmateriaal, ook voor de kleintjes.