Profile

HJK draait om de wereld van het jonge kind

Logo categorie
Taal
19/11/2017
Leestijd 4-5 minuten

Hoe lees je een prentenboek voor?

Op een ochtend werd Konijn wakker. Hij stapte uit zijn hol het stralende zonlicht in. Het was een prachtige dag. Maar er was iets mis… Hij was niet alleen. Konijn werd bang. ‘Scheer je weg, Zwart Konijn!’, riep hij. Maar het Zwarte Konijn verroerde zich niet.

Save the children

Zo begint het prentenboek Het Zwarte Konijn (Leathers, 2015), een boek over een konijn dat wordt achtervolgd door zijn eigen schaduw. In het kleuteronderwijs is het voorlezen van prentenboeken een dagelijks terugkerende activiteit. Tijdens een schooljaar worden er dan ook heel wat prentenboeken versleten. Maar hoe kun je een prentenboek nu het beste voorlezen? Stel je wel of geen vragen tijdens het lezen? En wat doe je als het boek uit is? In dit artikel lees je hoe je één prentenboek op drie verschillende manieren kunt voorlezen en wat het effect daarvan is op de taalvaardigheid van kleuters.

Werken aan taalvaardigheid
De taalvaardigheid van kinderen ontwikkelt razendsnel tijdens de kleuterperiode en is een belangrijke voorspeller voor nu en later. Zo blijkt uit ons eigen onderzoek dat kleuters die communicatief taalvaardiger zijn, beter worden geaccepteerd door hun klasgenootjes (Van der Wilt, Van der Veen, & Van Kruistum, 2016). (Zie het kader ‘Het onderzoeksproject’ hieronder voor meer informatie over dit onderzoek.) Bovendien blijkt de vroege taalvaardigheid van kinderen invloed te hebben op hun latere leesvaardigheid (Stoep, 2008; Snow, 2002). Het voorlezen van prentenboeken is een goede manier om de taalvaardigheid te stimuleren (Koerhuis & Op den Kamp, 2015). Maar op welke manier kun je het beste voorlezen? Deze vraag stond centraal in een kleinschalig onderzoek waarin we drie verschillende manieren van voorlezen hebben vergeleken: ‘interactief’, ‘luistervraag’ en ‘mindmap’.

Het onderzoeksproject
Ons onderzoek is onderdeel van het grootschalige project ‘Mindmappen met kleuters’. Daarin willen we de effectiviteit onderzoeken van een door Rianne Hofma ontwikkelde mindmap-methodiek. Die vindt plaats in de context van voorleesactiviteiten en bestaat uit luistervragen en mindmaps. Om te onderzoeken wat de meerwaarde is van mindmaps is de methodiek vergeleken met het traditionele interactief voorlezen en met een luistervraagmethode waarbij alleen luistervragen worden gesteld. Deze verschillende manieren van voorlezen zijn gebaseerd op bestaande methodieken, maar de precieze invulling ervan is specifiek voor dit onderzoek rondom het prentenboek Het Zwarte Konijn.

Het voorlezen van prentenboeken is een goede manier om de taalvaardigheid te stimuleren

1. Interactief
Interactief voorlezen is misschien wel de bekendste manier van voorlezen in het kleuteronderwijs. Tijdens het interactief voorlezen hebben de kinderen een actieve rol: ze stellen veel vragen en reageren op het boek en op elkaar. De ruimte voor eigen inbreng geeft kinderen de gelegenheid om het verhaal te koppelen aan hun eigen ervaringen (Gosen, 2016). Op die manier wordt het verhaal meer betekenisvol. En dat lijkt te werken: uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat deze methode onder andere bijdraagt aan het vergroten van de woordenschat van kinderen (Jansman, 2015).

Interactief – in praktijk
Voordat je het boek voor de eerste keer voorleest, bekijk je samen met de kinderen de kaft en lees je de titel voor: ‘Dit boek heet Het Zwarte Konijn.’ Blader door het boek en moedig de kinderen aan te reageren op de prenten: ‘Wat zie je allemaal?’ Naar aanleiding daarvan laat je de kinderen voorspellen waar het boek over gaat: ‘Over wie gaat het boek? Wat zou er gebeuren?’ Ga in op de reacties van de kinderen: ‘Hoe komt het dat je dat denkt?’ En laat de kinderen op elkaar reageren: ‘Wie denkt dat ook?’ Lees dan het boek voor en leg moeilijke woorden uit: ‘Wie weet wat een ‘oever’ is?’ Na het voorlezen bespreek je de voorspellingen: ‘Waar gaat het boek over? Klopt het met wat we dachten?’ Voordat je het boek voor de tweede keer voorleest, activeer je de voorkennis van de kinderen: ‘Weten jullie nog waar dit boek over gaat?’ Deze keer ga je in op belangrijke concepten. In Het Zwarte Konijn is dat het concept ‘schaduw’. Zorg dus dat je daar regelmatig bij stilstaat. Bijvoorbeeld als Konijn zich achter een boom heeft verstopt: ‘Hé, waar is het Zwarte Konijn nu gebleven? Wie weet waar het Zwarte Konijn is?’ Of als Konijn in het donkere bos is: ‘Zou het Zwarte Konijn nu echt weg zijn?’ Na het voorlezen vat je samen: ‘Dus wanneer is het Zwarte Konijn er? En wanneer niet?’ Voordat je het boek voor de derde keer voorleest, activeer je de voorkennis van de kinderen: ‘Wanneer zie je een schaduw?’ Deze keer ga je in op gevoelens. In Het Zwarte Konijn gaat het vooral over bang zijn. Zorg dus dat je daar regelmatig bij stilstaat. Bijvoorbeeld als Konijn het Zwarte Konijn ziet: ‘Hoe voelt Konijn zich nu? Hoe komt het dat hij bang is?’ Of als Konijn Wolf tegenkomt: ‘Ben jij ook weleens bang geweest? Waar was je dan bang voor? Wat heb jij toen gedaan?’

2. Luistervraag
Bij een andere veelgebruikte manier van voorlezen wordt er voordat het boek wordt voorgelezen een luistervraag gesteld (Koerhuis & Op den Kamp, 2015). Hierbij wordt vaak de volgende indeling gebruikt: wie, waar, probleem en oplossing (Van der Linden, 2003). Door dit bij elk prentenboek te herhalen, komen kinderen erachter dat een verhaal altijd over iemand gaat, zich op één of meerdere plekken afspeelt en er meestal sprake is van een probleem. Bovendien helpt de methode kinderen zich beter te concentreren op het verhaal doordat ze met een bepaald perspectief naar het verhaal luisteren (Jansman, 2015).

Luistervraag – in praktijk
Voordat je het boek voor de eerste keer voorleest, bekijk je samen met de kinderen de kaft en lees je de titel voor: ‘Dit boek heet Het Zwarte Konijn.’ Stel dan de luistervraag: ‘Over wie gaat het verhaal?’ Vraag of de kinderen tijdens het voorlezen extra goed willen letten op wie er allemaal meedoen in het verhaal. Lees dan het boek voor en onderbreek alleen als dat echt nodig is. Na het voorlezen bespreek je de luistervraag. Als de kinderen libellen en vissen noemen (dieren die alleen op de prenten staan, maar verder geen rol spelen), vraag je: ‘Stel dat we deze dieren niet konden zien, zou het verhaal dan anders worden?’ Voordat je het boek voor de tweede keer voorleest, activeer je de voorkennis van de kinderen: ‘Over wie gaat het verhaal?’ Stel dan de luistervraag: ‘Waar speelt het verhaal zich af?’ Vraag of de kinderen tijdens het voorlezen extra goed willen letten op welke plaatsen de dieren in het verhaal zijn. Na het voorlezen bespreek je de luistervraag. Vraag ook wat de kenmerken zijn van een plaats: ‘Wat weten we van het bos?’ Voordat je het boek voor de derde keer voorleest, activeer je de voorkennis van de kinderen: ‘Over wie gaat het verhaal? Waar speelt het verhaal zich af?’ Stel dan de luistervraag: ‘Wat is het probleem in het boek en wat is de oplossing?’ Vraag of de kinderen tijdens het voorlezen extra goed willen letten op de problemen en de oplossingen. Na het voorlezen bespreek je de luistervraag. Vraag ook welk personage een probleem heeft: ‘Wie heeft er een probleem?’ En vraag welke oplossing bij welk probleem past: ‘Hoe probeert Konijn zijn probleem op te lossen? Werkt dat?’

Als je kinderen een luistervraag meegeeft, kunnen zij zich beter op het verhaal concentreren doordat ze met een bepaald perspectief naar het verhaal luisteren

3. Mindmap
In een nieuw ontwikkelde voorleesmethodiek wordt gebruikgemaakt van mindmaps (Tuinhout, Van der Veen, & Hofma, 2016). Een mindmap kan helpen om de structuur van een verhaal duidelijk weer te geven. Het prentenboek wordt centraal gesteld door op een groot vel papier een plaatje van de kaft te plakken. Daaromheen staan vier takken: de ‘wie-tak’, de ‘waar-tak’, de ‘probleem-tak’ en de ‘oplossing-tak’ (Hofma & Van der Veen, 2014). Door bij alle woorden in de mindmap bijpassende plaatjes te plakken of te tekenen, kunnen kleuters de mindmap zelf lezen.

Mindmap – in praktijk
Voordat je het boek voor de eerste keer voorleest, bekijk je samen met de kinderen de kaft en lees je de titel voor: ‘Dit boek heet Het Zwarte Konijn.’ Stel dan de luistervraag: ‘Over wie gaat het verhaal?’ Vraag of de kinderen tijdens het voorlezen extra goed willen letten op wie er allemaal meedoen in het verhaal. Lees dan het boek voor en onderbreek alleen als dat echt nodig is. Na het voorlezen bespreek je de luistervraag. Aan de hand van de reacties maak je samen met de kinderen de eerste tak van de mindmap: bij de ‘wie-tak’ schrijf je de personages op (Konijn, Wolf en het Zwarte Konijn). Geef met een stippellijn aan dat het Zwarte Konijn de schaduw is van Konijn. Plak daarna plaatjes bij de woorden of maak tekeningen. Voordat je het boek voor de tweede keer voorleest, laat je de ‘wie-tak’ met bijbehorende plaatjes zien: ‘Over wie gaat het verhaal?’ Stel dan de luistervraag: ‘Waar speelt het verhaal zich af?’ Vraag of de kinderen tijdens het voorlezen extra goed willen letten op welke plekken de dieren in het verhaal zijn. Na het voorlezen bespreek je de luistervraag. Aan de hand van de reacties maak je de tweede tak van de mindmap: bij de ‘waar-tak’ schrijf je de plaatsen op (weiland, rivier en bos). Let erop dat je de plaatsen in de volgorde zet waarin ze in het boek voorkomen. Dat helpt de kinderen inzicht te krijgen in de structuur van het verhaal. Plak daarna plaatjes bij de woorden of maak tekeningen. Voordat je het boek voor de derde keer voorleest, laat je de ‘waar-tak’ met bijbehorende plaatjes zien: ‘Waar speelt het verhaal zich af?’ Stel dan de luistervraag: ‘Wat is het probleem in het boek en wat is de oplossing?’ Vraag of de kinderen tijdens het voorlezen extra goed willen letten op de problemen en de oplossingen. Na het voorlezen bespreek je de luistervraag. Aan de hand van de reacties maak je de derde tak van de mindmap: bij de ‘probleem-tak’ schrijf je de problemen op en bij de ‘oplossing-tak’ de oplossingen. Plak daarna plaatjes bij de woorden of maak tekeningen.

Goed, beter, best?
Eén prentenboek kan dus op verschillende manieren worden voorgelezen. Maar wat levert dit op? Draagt het voorlezen van een prentenboek bij aan de ontwikkeling van taalvaardigheid? En geldt dat voor alle manieren van voorlezen? Of is de ene manier toch beter dan de andere? Om antwoord te vinden op deze vragen hebben drie leerkrachten in hun groep drie keer het prentenboek Het Zwarte Konijn voorgelezen. De manier waarop ze voorlazen, verschilde echter: de eerste leerkracht las het boek op een interactieve manier voor, de tweede leerkracht stelde voorafgaand aan het voorlezen steeds een luistervraag en de derde leerkracht maakte aan de hand van luistervragen een mindmap met de kinderen.

Taalvaardigheid in kaart
Voor- en nadat het boek drie keer werd voorgelezen, zijn er testjes afgenomen om de taalvaardigheid van de kinderen te meten (zie figuur 1 voor de resultaten). Op die manier konden we het effect van de verschillende manieren van voorlezen met elkaar vergelijken. Een thematische woordenschattoets is afgenomen om te kijken of kinderen na het voorlezen meer woorden uit het boek kenden dan daarvoor. We hebben vijftien woorden uit het boek gekozen, zoals ‘schaduw’, ‘oever’ en ‘opluchting’, en kinderen gevraagd om de betekenis van die woorden uit te leggen. Daarnaast is het onderdeel ‘Kritisch Luisteren’ van de Cito Taal voor Kleuters afgenomen om de luistervaardigheid van kinderen in kaart te brengen. De leerkracht las steeds een zin voor en aan de kinderen werd gevraagd om een streep te zetten onder het bijbehorende plaatje op hun antwoordblad.

Figuur 1 - Resultaten testjes om taalvaardigheid te meten

Belang van voorlezen
Wat zijn de uitkomsten? Er was geen verschil tussen de groepen. Als we kijken naar het effect op taalvaardigheid, maakte het voor kinderen dus niet uit in welke groep ze zaten en op welke manier ze zijn voorgelezen. Alle manieren van voorlezen werkten even goed. Uit de scores op de thematische woordenschattoets blijkt dat kinderen na drie keer voorlezen al meer woorden uit het prentenboek kenden dan daarvoor. Bovendien blijkt uit de scores op het onderdeel ‘Kritisch Luisteren’ van de Cito Taal voor Kleuters dat kinderen na drie keer voorlezen beter luisterden dan daarvoor. Deze uitkomsten laten zien dat een paar keer voorlezen al effect heeft op de taalvaardigheid van jonge kinderen. Dit onderschrijft het belang van voorlezen in het kleuteronderwijs. Of het gebruik van mindmaps ook een meerwaarde heeft ten opzichte van de traditionelere manieren van voorlezen moet grootschalig onderzoek nog uitwijzen. Voor nu: varieer vooral en lees voor!

Book iconLiteratuurlijst

• Gosen, M. (2016). Prentenboeken en interactiemogelijkheden: Aanknopingspunten om het denken te stimuleren. Nederlands tijdschrift voor logopedie, 7 (8), 26-29
• Hofma, R. & Veen, C. van der (2014). Leer kleuters mindmappen. Je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen! MeerTaal, 8 (2), 19-21.
• Jansman, M. (2015). Kinderen vertellen zelf het verhaal. Interactief voorlezen. HJK, 42 (6), 28-31.
• Koerhuis, I. & Kamp, M. op den (2015). Interactief voorlezen: ja! Maar hoe? Handvatten bij interactief voorlezen. HJK, 43 (1), 10-13.
• Leathers, P. (2015). Het Zwarte Konijn. Rotterdam: Lemniscaat.
• Linden, E. van der (2003). Interactief voorlezen, hoe gaat dat? Een suggestie voor een (nieuw) voorleespatroon. Tilburg: Zwijsen.
• Stoep, J. (2008). Beginnende geletterdheid: geen vanzelfsprekendheid. Levende Talen Tijdschrift, 9 (4), 20-25.
• Tuinhout, M., Veen, C. van der, & Hofma, R. (2016). Mindmappen met kleuters. Effect op begrijpend luisteren en woordenschat. HJK, 43 (10), 22-25.
• Wilt, F. van der, Veen, C. van der, & Kruistum, C. van (2016). Sociale relaties tussen kleuters. Sociometrisch onderzoek uitvoeren. HJK, 43 (7), 4-7.

Hieke van Til

Rianne Hofma

Claudia van Kruistum

Femke van der Wilt

Chiel van der Veen