Perspectief op de groepsindeling
Loop een kleuterklas binnen en de verschillen tussen de kinderen springen meteen in het oog. Fysiek, cognitief, sociaal en emotioneel: geen kleuter is hetzelfde. Een kleutergroep goed begeleiden vraagt om een goed ingerichte omgeving en groepsmanagement. Maar daaraan gaat een belangrijke keuze vooraf: kies je voor een homogene of heterogene groep? Grietje Captein-Ludema en Henny Roovers vertellen welke afwegingen hun scholen bij die keuze maakten en wat hun ervaringen daarmee zijn.
De heterogene groep 1–2 is op veel basisscholen de vertrouwde organisatievorm voor het jonge kind. Toch kiezen scholen ook voor homogene groepen 1 of 2 of een instroomgroep. In heterogeen samengestelde groepen komen we ook de combinatie 2–3 tegen en steeds vaker de peuter-kleutergroep (Stolwijk, 2020). Wat beweegt scholen om af te wijken van de traditionele opzet? We vroegen een directeur en een leerkracht naar hun overwegingen en ervaringen.
Vanuit ervaring en visie naar homogene groepen
Op basisschool De Leeuwerik in Rutten begon de zoektocht naar de ideale groepsindeling vanuit een praktische noodzaak. “Drie jaar geleden kregen we door een fusie de kans om ons onderwijs helemaal opnieuw vorm te geven,” vertelt directeur Grietje Captein- Ludema. “Dat deden we op basis van onze onderwijservaring, maar ook op basis van de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Het schoolteam besloot onder meer afscheid te nemen van de traditionele combinatiegroep 1–2 en te gaan werken met homogene kleutergroepen. We merkten dat we voortdurend aan het schakelen waren tussen kinderen die in heel verschillende ontwikkelingsfasen zaten. Dat vroeg veel van de leerkrachten én van de kinderen. We wilden meer rust creëren, en die hebben we nu.”
Henny Roovers (links) en Grietje Captein-Ludema (rechts)
Een stapje vooruit
Volgens Captein-Ludema leidt een combinatiegroep niet automatisch tot rijke interacties tussen kinderen. “Er zit heel veel potentieel in gemengde groepen, maar dat vraagt om de juiste begeleiding. Je moet goed kijken wie je met wie laat spelen, welke materialen je aanbiedt en hoe je kinderen helpt om samen tot spel te komen.” In een homogene groep gaat dat volgens haar eenvoudiger. “Als kinderen uit verschillende speelontwikkelingsfasen samen in de huishoek speelden, kreeg het jongste kind meestal de rol van hondje of baby. Dat kind bleef dan als figurant fungeren en kwam niet tot echt spel. Het ontwikkelde zich daardoor veel minder, terwijl de oudere kinderen de leiding namen. Verschillen in ontwikkeling zijn juist vruchtbaar, maar alleen als ze niet te groot zijn. Een kind kan zich optrekken aan iemand die net één stapje verder is, maar niet aan iemand die al mijlenver voorligt. Bij de groepsindeling kijken we daarom niet naar leeftijd, maar ook naar het ontwikkelingsniveau. Zo zitten er kinderen uit groep 2 die jonger zijn dan kinderen uit groep 1, maar die in spel, taal en ontdekkingsdrang al verder zijn. In hun groep vinden ze de uitdaging waar ze op dat moment aan toe zijn.”
“We wilden meer rust creëren, en die hebben we nu”
Meer rust en vertrouwen
De homogene groepen zijn rustiger en leerkrachten kunnen spel en leerdoelen beter afstemmen op de groep. Dat maakt het niet alleen fijner voor kinderen en leerkrachten, maar zorgt er volgens de schoolleider ook voor dat kinderen met meer zelfvertrou wen en beter voor bereid naar groep 3 gaan. Het bewust inrichten van het kleuteronderwijs vergt een investering, maar levert volgens haar veel op. “De nieuwe werkwijze is inmiddels vanzelfsprekend voor ons kleuterteam. Als de oude heterogene groepen ter sprake komen, hoor ik vaak: hoe hebben we ooit zo kunnen werken? Wat goed dat we het roer hebben omgegooid.”
De instroomgroep: rust door nabijheid
Op basisschool De Aanloop in Bergen op Zoom werkt kleuterleerkracht Henny Roovers al langere tijd met een instroomgroep. De keuze daarvoor was in eerste instantie heel praktisch: de kleutergroepen liepen vol. Wat begon als een praktische oplossing, werd al snel gezien als een meerwaarde voor de ontwikkeling van de kinderen. Roovers is inmiddels overtuigd van de voordelen. “Elk kind bevindt zich in een andere fase van ontwikkeling,” vertelt ze. “Oudere kleuters zijn meestal al wat verder. Ze zijn vaak nadrukkelijker aanwezig en kunnen de dynamiek in de groep versterken. Voor de jongste kinderen kan een nieuwe omgeving daardoor best spannend zijn. Tijdens het werken in de instroomgroep heb ik gemerkt dat kinderen veel sneller veiligheid ervaren dan in een heterogene kleutergroep. Daardoor durven ze ook sneller te laten zien wie ze zijn en wat ze nodig hebben. Een instroomgroep kent daardoor over het algemeen een rustige groepsdynamiek.” Die rust werkt volgens Roovers ook door in haar eigen rol als leerkracht. “Ik ervaar meer nabijheid, waardoor ik gerichter kan observeren. Ook zie ik beter waar de interesses van kinderen liggen en welke vaardigheden ze al beheersen. Ik merk dat ik een scherper beeld heb van het ontwikkelingsniveau van kinderen in een instroomgroep dan in een heterogene kleutergroep.” Ook de verschillen tussen kinderen zijn volgens haar kleiner, maar ze zijn er wel. Omdat de onderwijsbehoeften dichter bij elkaar liggen, zijn die verschillen binnen de groep juist goed te begeleiden.
“Kinderen ervaren in de instroomgroep veel sneller veiligheid”
Een zachte landing
Roovers ziet ook voordelen op de langere termijn. “Als kinderen na de instroomgroep doorstromen naar een volgende kleutergroep, zijn ze al goed gewend aan de routines en werkwijzen die daar gelden. Op onze school zien we dat kinderen daardoor een zachte landing maken, en dat ook die kleutergroepen meer rust ervaren. Dat komt weer ten goede aan de ontwikkeling van die kinderen. Er hoeft namelijk niet halverwege het jaar opnieuw aandacht te zijn voor regels en routines. Naast nabijheid ontstaat er zo snel ruimte voor een doorgaande ontwikkeling, voor de nieuwe kleuter én voor alle andere kinderen in de groep.”
Een oplossing met grenzen
De ervaringen met de instroomgroep van het afgelopen jaar hebben ook tot nadenken aangezet. De instroomgroep is geen vaste plek voor het hele jaar. “Bij ons op school stromen kinderen na een bepaalde tijd door,” legt Roovers uit. “Kinderen die er na een bepaalde tijd aan toe zijn, kunnen doorstromen naar een reguliere kleutergroep 1/2. Andere kinderen hebben het juist nodig om langer in de instroomgroep te blijven, met meer nabijheid van de leerkracht en een rustigere groepsdynamiek.”
“Er bestaat niet één beste manier om kleutergroepen in te delen”
Een gedeelde conclusie
Hoe verschillend de aanleiding en de uitwerking op deze twee scholen ook zijn, Captein- Ludema en Roovers komen tot een vergelijkbare conclusie. In beide organisatievormen ervaren zij dat de niveauverschillen tussen kinderen kleiner zijn dan in een traditionele combinatiegroep 1–2. Hierdoor ontstaat een meer didactische focus voor de leerkrachten. Binnen de visie op homogene groepen is er gerichte aandacht voor differentiatie naar ontwikkelingsniveau, met behoud van de structuur en continuïteit in de groepsvorming.
Geen ‘beste’ groepsindeling
Er bestaat niet één beste manier om kleutergroepen in te delen. Zowel heterogene als homogene groepen bieden specifieke ontwikkelkansen, afhankelijk van de doelen die een school nastreeft en de context waarin ze werkt. Het groepsmanagement binnen de gekozen groepsindeling of over de groepen heen is zeker zo belangrijk. Soms is flexibiliteit in groeperingsvormen ook simpelweg nodig, bijvoorbeeld door personeelstekorten, organisatorische keuzes die noodzakelijk zijn of samenhangen met de identiteit van een school (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2025).