“Kansengelijkheid begint al vóór groep 1”
Wat werkt écht om kansen van jonge kinderen te vergroten, nog vóór ze in groep 1 zitten? Die vraag stond centraal in een onderzoek van Sardes en SEO Economisch Onderzoek. Senior onderzoeker IJsbrand Jepma licht toe welke maatregelen volgens hem het meeste verschil maken en waar die winst in de onderbouw ligt.
Volgens IJsbrand Jepma begint kansengelijkheid al vóór de basisschool. “Verschillen in ontwikkeling ontstaan vaak al eerder. Daarom is het belangrijk om ook naar de fase vóór school te kijken. Het onderscheid tussen peuters en kleuters is kleiner dan vaak wordt gedacht. Vanaf vier jaar gaan kinderen naar school, maar ze blijven in veel opzichten hetzelfde. Ze leren spelenderwijs, hebben een korte spanningsboog en behoefte aan nabijheid. Daar moet het onderwijs op aansluiten.”
Het stelsel op de schop dus?
“De overheid steunt vanaf 2027/2028 tot en met 2030/2031 zo’n tweehonderd plekken waar kleuters en peuters samen in één groep zitten. Die experimenten kunnen veel opleveren, bijvoorbeeld voor de beroepskracht-kindratio (BKR). In de voorschoolse educatie (VE) werk je vaak met kleinere groepen (1 op 8), terwijl kleutergroepen kunnen oplopen tot 25 à 30 kinderen. Door te combineren kun je werken met kleinere groepen én met een mix van hbo- en mbo-professionals. Dat is vooral gunstig voor kleuters: zij zitten nu vaak in grotere groepen met één leerkracht. In gecombineerde groepen benut je pedagogische en didactische kwaliteiten beter. Wel is het belangrijk dat de leeftijdsverschillen en dus ontwikkelingsniveaus niet te groot zijn: niet meer dan drie jaar. Uit onderzoek blijkt dat het anders lastig wordt om goed aan te sluiten bij ieder kind.”
Biedt het samenvoegen van voor- en vroegschoolse educatie dé oplossing?
“Het kan voordelen hebben, mits de verschillen in leeftijd en ontwikkeling niet te groot zijn. Maar ons onderzoek heeft dit niet verder uitgewerkt. Daarvoor is het draagvlak om het stelsel te veranderen nu te klein. Denk aan aanpassingen in opleidingen en financiering. Meer winst zit in maatregelen die sneller uitvoerbaar zijn, zoals het verlagen van de leerplicht naar vier jaar, zodat je alle kinderen eerder bereikt.”
Zo’n 98 procent van alle kinderen gaat naar school als ze vier zijn. Wat levert zo’n maatregel dan nog op?
“Sterker nog: het grootste deel van die twee procent volgt in de maanden daarna. Slechts een heel kleine groep, zo’n 0,3 procent, start pas op vijfjarige leeftijd. Toch is het veel meer dan een symbolische maatregel. Juist die kleine groep verdient aandacht. Het gaat dan vaak om kinderen in kwetsbare situaties. Denk aan een onveilige thuissituatie, taalachterstanden, armoede of beperkte sociale vaardigheden. Door hen eerder in beeld te hebben, kun je juist daar veel winst boeken.”
“Voorschoolse educatie geeft kinderen een betere start”
Maar dan nog zullen de verschillen aanzienlijk zijn bij de start van de basisschool.
“Daarom is het ook zo belangrijk om kinderen met een (risico op een) onderwijsachterstand zo vroeg mogelijk te bereiken met voorschoolse educatie. Dat helpt om beter voorbereid aan de basisschool te starten. Wel liggen er nog flinke drempels. Financiën spelen een rol: veel gemeenten komen ouders al tegemoet, bijvoorbeeld met deels kosteloze VE-uren. Maar zelfs een relatief klein bedrag per maand kan voor gezinnen een obstakel zijn. En ook als VE gratis is, moeten ouders vaak veel gegevens aanleveren. Dat kan ingewikkeld zijn en onzekerheid oproepen. Ook speelt soms angst voor een stigma: ouders vragen zich af wat deelname betekent voor hun kind, bijvoorbeeld richting jeugdzorg of later in de schoolloopbaan.
Daarnaast zijn er ook verschillen tussen gemeenten. In de ene plaats weegt de thuistaal het zwaarst, in de andere het opleidingsniveau of inkomen van de ouders. Daarmee verschillen criteria en startleeftijden voor een VE-indicatie per gemeente, wat ongelijkheid vergroot.”
De oplossing ligt eigenlijk voor de hand: maak VE overal kosteloos en verlaag de administratieve drempels. Zo geef je ouders een helder signaal: ieder kind moet mee kunnen doen.”
Achttien procent van de doelgroepkinderen wordt nu niet bereikt. Hoeveel kleiner kan die groep worden?
“VE is niet verplicht en dat moet ook zo blijven. Als ouders ervoor kiezen hun kind thuis te houden, dan moeten we dat respecteren. Tegelijkertijd zie ik zeker ruimte om meer kinderen te bereiken. Soms voelen ouders en kinderen zich nog onvoldoende thuis op de voorschool. Herkenning in taal, cultuur en activiteiten vergroot de kans op deelname. Daar ligt een belangrijke kans voor professionals. Sluit aan bij wat er thuis gebeurt en waardeer dat. Een eenvoudige opmerking als: ‘Wat leuk dat jullie samen koken!’ kan al het verschil maken. Ook ouders zelf spelen een sleutelrol. Als ouders uit de doelgroep elkaar enthousiast maken, bereik je vaak meer dan via beleid. Hoeveel meer precies is lastig te zeggen, maar dat er winst te behalen is, staat vast.”
Waar zit de grootste winst: in meer uren of in betere kwaliteit?
“Sinds 2019 stelt het Rijk jaarlijks ruim 550 miljoen euro beschikbaar voor het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB), waaronder de voorschoolse educatie. Daarmee is onder andere het aantal uren uitgebreid: van tien naar zestien uur per week. Meer tijd helpt natuurlijk om risico’s op onderwijsachterstanden te verkleinen.
Maar kwaliteit is minstens zo belangrijk. Zo is er zo’n achttien miljoen euro geïnvesteerd in de verdere professionalisering van de pedagogisch professionals, bijvoorbeeld via coaching van pedagogisch en didactisch handelen.
Uit onderzoek van de Universiteit Utrecht en Sardes blijkt dat coaching het aanbod versterkt (het EVENING project: Effectstudie Voorschoolse Educatie: een Natuurlijk Experiment in Nederlandse gemeenten, red.). Kinderen ontwikkelen zich beter en lopen achterstanden in op taal, sociale vaardigheden en basiskennis.”
“Basisscholen en voorscholen kunnen veel beter samenwerken en inhoudelijk op elkaar afstemmen.”
Een achterstand inlopen is niet hetzelfde als een achterstand inhalen.
“Als kinderen in groep 1 starten, zijn de verschillen nog steeds groot. Juist daarom is het zonde dat scholen kansen laten liggen om die verschillen in groep 1 en 2 te verkleinen. Mijn indruk is dat onderwijsachterstandsgelden in de onderbouw niet altijd effectief worden ingezet. Denk aan het inzetten van een onderwijsassistent, zodat je meer kunt werken in kleine groepjes. Tegelijkertijd zie je dat de aandacht en middelen vaak ook naar de midden- en bovenbouw gaan, waar de druk van toetsen en doorstroom groter is.”
Waar zit de grootste winst?
“Die zit echt in de jongste leerjaren. Neem de woordenschat, die werkt als klittenband: hoe meer woordenschat en taalbegrip een kind heeft, hoe makkelijker nieuwe woorden en betekenissen blijven plakken.
Wat je nu ziet is dat er in de voorschoolse educatie duidelijke eisen zijn aan kwaliteit, groepsgrootte en begeleiding, en dat daar de afgelopen jaren ook extra in is geïnvesteerd. In de vroegschool blijft dat nog achter. Daar leeft soms nog het idee: ‘Laat die kleuters maar spelen, dat komt wel goed.’ Dat is een gemiste kans.
Basisscholen en voorscholen kunnen juist veel beter samenwerken en inhoudelijk op elkaar afstemmen. Samen kijken naar de opbouw en diepgang van woordenschat en kennis bijvoorbeeld. Bouw voort op wat kinderen al kennen, in plaats van te herhalen. Het gaat om verdiepen en verbreden. Met kleuters kun je prima een stap verder gaan. Als ze al weten wat kastanjes en beukennootjes zijn, kan het gesprek gaan over groei, zaden en de levenscyclus van bomen. Zo bouw je doelgericht verder aan kennis, passend bij hun ontwikkeling.”
Werken aan kansengelijkheid is dus ook een mentaliteitskwestie?
“Ik hoop dat de voor- en vroegschoolse educatie steeds beter op elkaar gaan aansluiten, en dat de randvoorwaarden meer naar elkaar toegroeien. Denk aan groepsgrootte, beroepskracht-kindratio en de opleiding van professionals.
Daarnaast is het belangrijk hoe we naar voorzieningen kijken. Niet de basisschool als dé plek voor ontwikkeling en de voorschool vooral als opvang. Het zou mooi zijn als we VE steeds meer gaan zien als volwaardige educatie. Want dat verdienen peuters.”