Groot geluk
‘Als ze maar gelukkig zijn’, het is de mantra van veel ouders. Dat klinkt als een bescheiden minimumeis. ‘Nee, schatje, je hoeft echt geen glanzende schoolcarrière te hebben of een beroep te kiezen met een hoge status. Dat vinden wij helemaal niet belangrijk. Maak je geen zorgen. Als je maar gelukkig bent, dát telt.’
Ik zou me dan wel zorgen maken, eerlijk gezegd. Ik vind ‘geluk’ een torenhoge eis, voor mezelf en voor mijn (klein)kinderen. Een onhaalbare verwachting, veel moeilijker dan schoolprestaties. ‘Geluk is iets wat we allemaal nastreven’, lees ik weleens. Voor mij geldt dat niet; ik ben ermee gestopt. Ik heb doorgaans een goed humeur, ben geen zwartgallige somberaar of doemdenker, maar ik vind afwezigheid van onheil, van ziekte, dood al flinke mazzel. Tel je zegeningen.
Wanneer ben je nu onbekommerd gelukkig? Ook al gaat het met jouzelf goed, er zijn altijd vrienden met een ernstige ziekte, familieleden die sterven, landen in oorlog, kinderen in nood of op de vlucht. Er is altijd een vage dreiging van ongeluk of mislukking. Een zeurend schuldbesef of het gevoel van tekortschieten. Dat maakt argeloos haken naar geluk een even naïef als egocentrisch streven. Angst en zorgen kun je niet uitbannen.
Natuurlijk hoop ik hartstochtelijk dat mijn allerliefsten zo gelukkig mogelijk zijn. Ik koester de gelukkige momenten, het plezier dat ik met ze heb, de ontroerende gesprekken, het gevoel van troost en onvoorwaardelijke liefde. Soms zijn er glimpen van groot geluk. Geluk is een bijproduct van de alledaagse werkelijkheid, een geschenk dat je zomaar af en toe in de schoot valt. Geluk is geen einddoel of permanente staat – dat is veel te hoog gegrepen.
Natuurlijk proberen we kinderen te behoeden voor ongeluk, maar dat lukt nooit helemaal. Je kunt de druk van schoolprestaties en toetsen relativeren, maar je kunt niet voorkomen dat je kind ziek wordt, wordt gepest of buiten de groep valt. Of dat een eerste grote liefde in een drama eindigt. Je kunt je kind niet kneden tot een aantrekkelijk, populair type met veel vriendjes of een leerling die graag samenwerkt. Sommige kinderen zijn nu eenmaal niet zo, ze leven meer in hun eigen wereld. Laat ze.
Wat we wel kunnen doen, is kinderen veiligheid bieden, en het vertrouwen dat ze er mogen zijn. Allemaal, ook de buitenbeentjes. De zekerheid dat ze, als ze zich rot voelen, bang zijn of zich buitengesloten voelen, altijd terecht kunnen bij hun ouders, juffen en meesters. Dat ze beschermd worden. Dat ze niet hoeven te voldoen aan het ideaal van een populair, gezellig en coöperatief kind. Voor veel kinderen valt dan een enorme zorg weg. Dat vertrouwen, die empathie, geven ze dan ook terug aan anderen.
Als je je veilig voelt, hoeft het ook echt niet altijd mee te zitten. Je mag je best eens ruzie hebben, of je boos, onbegrepen of ongelukkig voelen. Wie opgroeit op een bodem van zelfvertrouwen, kan ook best een keertje ‘nee’ verdragen. Altijd zon op je pad, dat is een leugen. Het leven lacht je dan keihard uit.