Greep op de wereld
Mijn kleinzoon (bijna 2) is een papegaai. Alles wat hij hoort, kakelt hij feilloos na, met de juiste uitspraak en intonatie. Zo ontstaat bij mensen die hem niet kennen het misverstand dat hij een uitzonderlijk ventje is. Nu is M. vast geen dommerd, maar wij weten – niet verder vertellen – dat hij meestal geen snars begrijpt van wat hij uitkraamt.
‘Kijk, een betonmortelwagen!’, ‘Afgesproken, lekker slapen’, of ‘Niet slaan, beloofd’ – het komt er allemaal volautomatisch uit. Vervolgens slaat M. tóch zijn zusje, en gaat hij helemaal niet slapen. En als ik dat gevaarte in de straat de volgende keer ondeskundig een ‘vrachtauto’ noem, doet hij dat ook. Zijn zus, een meer bedachtzaam type, doet haar mond pas open als ze iets volledig begrijpt.
M. is net zijn moeder, die als peuter ook zo’n kletsmajoor en na-aper was. En toch, ineens is daar dan het moment dat kinderen, na al die herhaling, werkelijk begrijpen wat ze zeggen. Dat is het wonder van de taal. Of liever, van betekenis.
Maar wat is betekenis? Wat betekent betekenen? Een taal leren is een kwestie van zinsbouw, grammatica en woordbetekenis, maar bij dat laatste begint het gedonder. Als je het woord ‘boom’ kent, of ‘tafel’, of ‘hond’, herken je dan álle bomen en tafels en honden, hoe verschillend ook? Wat hebben een dwergpoedel en een herdershond eigenlijk gemeen?
Nog moeilijker zijn abstracties als ‘vergeten’, ‘waarschuwen’ of ‘verdrietig’. Je kunt de woorden kennen, maar de bijbehorende concepten niet. ‘Ben beetje verdrietig’, zegt M. wel eens, stralend. Ook een volwassene kan alle woorden in de zin ‘Het vliegtuig gaat sneller dan het geluid’ kennen, en toch niet begrijpen wat bedoeld is.
Kun je denken zonder taal? Of bepaalt de taal waarover we beschikken hoe we denken? Dat is iets waar ik niet uitkom. In elk geval hebben wij taal nodig om greep te krijgen op de wereld. Door de dingen die we zien, voelen en denken te benoemen, maken we ze hanteerbaar.
Taal is abstraheren, en daarmee versimpelen. Als we voor elke type hond en elk soort verdriet een ander woord zouden bedenken, leefden we in een Babylonische spraakverwarring. Taal stelt ons in staat, zoals Johan De Wilde schrijft in dit nummer, patronen te benoemen en te herkennen. Het leven wordt daardoor voorspelbaar en minder bedreigend.
Na haar papegaai-periode barstte het los bij mijn dochter. Ze hield maar niet op met vragen. Haar vragen begonnen meestal met ‘Wrom?’ of ‘Hoe kompt het?’ Hoe komt het dat het regent? Wanneer is het water op? Waarom ben ik geen jongen? Waarom heet iedereen ‘ik’? Hoe komt het dat mensen dood gaan? Ik had niet altijd een antwoord, of zuchtte laf: ‘Dat is nu eenmaal zo.’ Dan zei ze, onvermoeibaar: ‘Kompt ‘t dat dat kompt?’
Ik werd er soms hoorndol van. Nu denk ik er weemoedig aan terug. Het was fascinerend, een klein mens dat zich de wereld toe-eigent.