Vanuit thuis werken aan taal
De aanpak Thuis in Taal helpt leerkrachten bij het samenwerken met ouders aan de taalontwikkeling van hun jonge kind (Van der Pluijm, 2020). Lees hoe je - naast de aanpak op school - ook de interactie tussen ouder en kind thuis kunt stimuleren en vanuit thuis de verbinding kunt maken naar school.
Foto: Mathilde Dusol
In het vorige artikel (HJK mei 2024) beschreven we hoe de aanpak Thuis in Taal door middel van promotieonderzoek ontwikkeld is en hoe deze aanpak bijdraagt aan de verbinding tussen school en thuis en de interacties tussen ouder en kind op school. Dat is juist belangrijk voor kinderen die te maken hebben met kansenongelijkheid, omdat zij minder taal meekrijgen vanuit huis en daardoor ook op school minder makkelijk mee kunnen doen. Om ook de interactie tussen ouder en kind thuis te stimuleren, ontwikkelden Martine en Myrthe met collega’s een aanvullende werkwijze en startten hiervoor een nieuw onderzoek (2020-2024).
Lees ook het eerste artikel Samenwerken aan een taalrijke omgeving: www.hjk-online.nl/taal/samenwerken-aan-een-taalrijke-omgeving
Onderzoek in de thuissituatie
De aanpak met de zeven stappen van Thuis in Taal (zie tabel) kopieerden we naar de thuissituatie en volgden we vervolgens met onderzoek. Samen met gezinsbegeleiders doen ouders en kinderen wekelijks ouder-kindactiviteiten thuis waarbij zij ervaring opdoen met interactie in hun thuissituatie. De activiteiten worden met ouder en kind afgestemd op de aanwezige routines en interesses van het gezin, zodat er aansluiting is bij de kennis en leefwereld van ouders en kinderen (Fikrat-Wevers et al., 2021). Denk aan samen de tafel dekken, naar de speeltuin gaan of een spel spelen met speelgoed van het kind. Door middel van de activiteiten ervaren ouders hoe zij vanuit hun rol de taalontwikkeling thuis kunnen stimuleren en hoe hun kind taal kan leren. De gezinsbegeleider ondersteunt door met ouder en kind mee te doen en voor te doen (modelen) hoe zij hierbij taal kunnen gebruiken en uitbreiden. Deze intensieve samenwerking thuis draagt bij aan warme relaties met ouders en creëert wederzijds vertrouwen. Met onderzoek naar deze aanvullende werkwijze met de stappen van Thuis in Taal in de thuissituatie beogen we antwoord te geven op de vraag of de interactie ook groeit in de thuisomgeving. Ook onderzoeken we of dit resulteert in groei van de betrokkenheid van kinderen en hun taalontwikkeling, waarmee zij hun voordeel weer kunnen doen op school. De werkwijze voor thuis kan leerkrachten tevens extra handvatten bieden om de verbinding tussen school en thuis te versterken.
Stappenplan Thuis in Taal (Van der Pluijm, 2020)
Inschatting op maat
De ondersteuning voor thuis wordt aangeboden aan gezinnen die hier volgens inschatting van de leerkracht en de gezinsbegeleider baat bij hebben. Zij gaan samen na welke achtergronden en thuistalen ouders hebben, in hoeverre ouders vragen hebben over de taalontwikkeling van hun kind en of er veel of weinig interactie tussen ouder en kind zichtbaar is. Aan ouders wordt gevraagd of zij belangstelling hebben voor deze vorm van taalstimulering thuis, in het bijzonder in situaties waarin zichtbaar is dat kinderen en ouders daarvan kunnen profiteren, zoals Mika en zijn moeder in de klas van juf Sara, uit het vorige artikel.
Foto: Mathilde Dusol
Omdat Mika bij de start van dit onderzoek al over was naar groep 3, volgen we hier een moeder en haar dochter Ana, eveneens uit de klas van Sara. Net als voor Mika’s moeder voelde de inloop voor de moeder van Ana in het begin wat onwennig en kon zij niet goed uit de voeten met de activiteiten die juf Sara voor haar en Ana klaarlegde. Maar door de aangepaste werkwijze van Sara werd steeds duidelijker wat er van haar en Ana verwacht werd en was de inloop inmiddels routine geworden voor deze moeder. Toch vond Sara het lastig in te schatten hoe de moeder van Ana thuis met haar kinderen sprak. Ze besprak haar vraag met Yasmin, de gezinscoach die wekelijks in de klas was en daarmee een bekend gezicht is voor ouders. De relatie die Yasmin al met Ana’s moeder had, verlaagde de drempel om haar te vragen of zij en Ana het leuk zouden vinden als Yasmin het gezin eens thuis zou bezoeken. Yasmin vertelde moeder dat ze door thuis met hen mee te doen en mee te spelen, kan meedenken over hoe zij haar kinderen kan helpen met het stimuleren van taal. Ana’s moeder aarzelde zichtbaar en gaf aan het te gaan overleggen met haar man. Toen Yasmin later vroeg of moeder er nog over nagedacht had, stemde moeder toe. Zo’n benodigde vertrouwensrelatie wordt opgebouwd met de eerste stappen van de aanpak Thuis in Taal en helpt een basis te leggen voor samenwerking op school én thuis.
Thuis bij Ana
Als Yasmin Ana, haar moeder en haar broertje – dat ook thuis is – bezoekt, zijn de kinderen dolenthousiast over haar komst. Ze laten meteen hun slaapkamer zien, die ze samen delen. In de kleine, volle kamer staan een stapelbed, kasten en een hoop spullen. Ana loopt naar een vuilniszak, waar wat speelgoed in zit, en haalt trots haar pop eruit. Zo krijgt Yasmin al bij binnenkomst direct een indruk van de leefwereld thuis. Moeder nodigt haar uit in de woonkamer, waar een bank en een televisie staan, en die verder leeg oogt. Yasmin spreekt haar waardering uit voor moeders gastvrijheid en legt haar verwachtingen uit van de bezoeken thuis: samen activiteiten doen die het gezin al onderneemt, of juist nieuw zijn, waarbij Yasmin mee kan denken over hoe er thuistaal gebruikt kan worden. Daarvoor wil ze het gezin eerst nog beter leren kennen en vraagt naar activiteiten die het gezin dagelijks onderneemt. Moeder vertelt dat er om de hoek een grote speeltuin is waar de kinderen graag spelen. Ana en haar broertje kijken ook regelmatig kinderprogramma’s op televisie en spelen spelletjes op de telefoon. En elke avond zitten ze samen met vader een uurtje aan tafel om lees- en schrijfoefeningen te maken. Moeder vindt het heel belangrijk dat haar kinderen goed Nederlands leren. Zelf beheerst ze de taal niet zo goed zegt ze, maar ze probeert het veel te spreken met haar kinderen. Tijdens het bezoek merkt Yasmin dat moeder in het Nederlands korte zinnen gebruikt, vaak in de vorm van opdrachtjes zoals ‘pak beker’. Yasmin vraagt of Ana en haar broertje ook haar moedertaal spreken. Een klein beetje, laat moeder weten. ‘Nederlands, dat is toch belangrijk?’ Yasmin legt uit dat het kinderen helpt om met hun ouders veel de taal te spreken die zij zelf het beste spreken. Het leren van Nederlands op school kan dan voortbouwen op die taalbasis (Cummins, 1992).
Een week later gaan de bezoeken met activiteiten van start. Yasmin bedenkt samen met moeder, Ana en haar broertje allerlei leuke activiteiten: samen naar de speeltuin, verstopspelletjes met speelgoed van Ana. Ze toont moeder dat haar kinderen van haar leren wanneer moeder tijdens dagelijkse routines prioriteit geeft aan taal en (open) vragen stelt. En ook dat de taal van de kinderen wordt uitgebreid door bijvoorbeeld over gebeurtenissen buiten het hier en nu te praten en langere zinnen te maken. Yasmin stimuleert het gezin om dit in hun moedertaal te doen. Moeder probeert dit, maar vertelt het lastig te vinden omdat haar kinderen nog weinig woorden kennen in deze taal. Ana en haar broertje genieten van de activiteiten. Ook moeder zegt de bezoeken leuk te vinden, maar Yasmin merkt dat moeder zich nog wel wat op de achtergrond houdt. Na een bezoek of vijf annuleert moeder de afspraken regelmatig. Ze zegt het druk te hebben. Yasmin ziet moeder opeens ook niet meer tijdens de inloop. Wanneer moeder bij het hek staat om Ana op te halen, loopt Yasmin naar haar toe en probeert een nieuwe afspraak te maken. Een paar dagen later komt Yasmin opnieuw bij hen thuis. Moeder zegt niet goed te weten of ze nog verder wil met de bezoeken. De verwachtingen van moeder en Yasmin blijken verschillend. Moeder had gedacht dat Yasmin haar kinderen zou helpen met Nederlands leren, bijvoorbeeld door oefeningen te doen. Ze heeft niet het idee dat ze nu iets nieuws doen waar haar kinderen van leren.
Yasmin overlegt met Sara hoe ze hierop kunnen aansluiten. Ze vraagt Sara wat Ana heel graag doet in de klas. In de huishoek met de pop, noemt Sara meteen. Ze vindt het vooral leuk om haar in bad te doen. Ana glundert wanneer ze bij een volgend bezoek ziet dat Yasmin haar favoriete pop, samen met het babybadje, heeft meegebracht. Yasmin vraagt aan Ana of zij aan mama wil laten zien en vertellen hoe ze de pop op school in bad doet. En misschien kan Ana’s eigen pop ook wel een badje gebruiken! Ana’s moeder kijkt en luistert trots naar haar dochter en speelt met haar mee. Gedurende het onderzoek zien we dat door vaker een activiteit van school – die de grote belangstelling van het kind heeft – mee te brengen naar huis, beter wordt voldaan aan de verwachting van de ouder om iets nieuws in te brengen thuis. Ook wordt de verbinding tussen school en thuis sterker, voor het kind en de ouder. Omdat Yasmin en Sara nauw contact hebben over wat er zich thuis afspeelt, weet Sara meer over thuis en kan ze naar Ana en haar moeder benoemen welke mooie verhalen ze heeft gehoord over de huisbezoeken. Ana straalt op die momenten en wil er een hoop over vertellen. Sara merkt dat Ana minder schroom heeft om te praten in de klas. In de kring vindt ze dit nog spannend, maar op andere momenten komt ze zelf naar Sara toe voor een praatje. Het helpt als Sara Ana dan kan helpen met het verwoorden van haar verhalen, omdat Sara veel weet over de thuissituatie, zoals wat Ana graag doet of waar ze naar de speeltuin gaat. Ook moeder is weer zichtbaar op school. Ze blijft na de inloop soms koffiedrinken in de ouderkamer en stelt vaker vragen aan Sara en Yasmin.
Foto: TAALfotografie
Een brug van school naar huis
De bevindingen uit dit onderzoek (Van der Pluijm e.a., in voorbereiding) naar deze aanvullende vorm van ondersteuning in 25 gezinnen laten een bijdrage zien aan de beoogde partnerschappen tussen school en thuis. De betrokkenheid van kinderen op school groeit, zoals ook in het voorbeeld van Ana te zien is. Er is meer interactie tussen ouder en kind, zowel thuis als op school. Ana’s moeder vertelde na afloop van de ondersteuning dat haar kinderen meer woorden kennen en langere zinnen maken. Ze zegt het belangrijk te vinden met haar kinderen te spelen en hen mee te nemen naar allerlei plekken en daarover te vertellen. Moeder vindt school nog steeds de belangrijkste plek om te leren. Zelf zou ze nog wel meer ideeën vanuit school willen krijgen over wat zij kan doen als ouder. In een vervolgstudie gaan we na of er verschillen zijn tussen gezinnen die wel meedoen met de thuisondersteuning en een controlegroep die deze ondersteuning niet krijgt.
We zien dat, door de brug te slaan van school naar huis, er profijt is aan beide kanten. Aan de ene kant groeit het bewustzijn bij ouders over hun rol in de taalontwikkeling van hun kind. Aan de andere kant groeit het inzicht van leerkrachten in de dagelijkse activiteiten en kennisbronnen van kinderen en ouders thuis. Die verbinding helpt bij het tegengaan van kansenongelijkheid in situaties waar de wereld op school en thuis voor kinderen moeilijk te overbruggen is (Hogg & Volman, 2020). We zien ook dat dit een proces is van een lange adem, waar geduld en oog voor kleine stappen voor nodig zijn. Een brug bouw je niet in één keer. Daar leg je plank voor plank voor neer en loop je vervolgens stap voor stap overheen. Zo ook bij die brug tussen school en thuis. Uiteindelijk bereik je zo de overkant.
• Cummins, J. (1992). Language proficiency, bilingualism, and academic achievement. In P. A. Richard-Amato & M. A. Snow (Eds.), Multicultural classroom: Readings for content-area teachers (pp. 16-26). White Plains, NY: Longman Publishing
• Cummins, J. (2019). Should schools undermine or sustain multilingualism? An analysis of theory, research, and pedagogical practice. Sustainable Multilingualism, 15(1), 1-26.
• Damhuis, R. & Litjens, P. (2003). Mondelinge communicatie: Drie werkwijzen voor mondelinge taalontwikkeling. Expertisecentrum Nederlands,
• Fikrat-Wevers, S., Steensel, R. van, & Arends, L. (2021). Effects of Family Literacy Programs on the Emergent Literacy Skills of Children from Low-SES Families. A Meta-Analysis. Review of Educational Research, 91, 577-613.
• Golinkoff, R. M., Hoff, E., Rowe, M. L., Tamis-LeMonda, C. S. & Hirsh-Pasek, K. (2019). Language matters: Denying the existence of the 30-million-word gap has serious consequences. Child Development, 90(3), 985-992.
• Hart, B. & Risley, T.R. (2003), The early catastrophe: the 30 million word gap. American Educator, 27, 4-9.
• Hogg, L. & Volman, M. (2020). A Synthesis of Funds of Identity Research: Purposes, Tools, Pedagogical Approaches and Outcomes. Review of Educational Research, 90(6), 862-895.
• Hoover-Dempsey, K.V. & Sandler, H.W. (2005). Final performance report for OERI Grant 3
• R305T010673. The social context of parental involvement: a path to enhanced achievement.
• Nashville: Vanderbilt University.
• Kurvers, J., & Van Steensel, R. (2022). Over de drempels van geletterdheid: laaggeletterde ouders helpen hun jonge kind te ondersteunen. Nederlandse letterkunde, 27(1), 8–24.
• Lusse, M. & Van der Pluijm, M. (2023). Handvat samenwerken met ouders aan kansengelijkheid voor kinderen. Hogeschool Rotterdam.
• Notten, N. (z.d.). Dichtbij de laaggeletterde ouder. Een exploratief onderzoek naar de werking van ouderbijeenkomsten over leesbevordering in een omgeving met laaggeletterde ouders. Intern rapport van Radboud Universiteit en Stichting Lezen. Geraadpleegd op 31 maart 2024 van: 78e5ed4b52fe684e72ee806379178d5e_rde_ouder_-_Stichting_Lezen.pdf (gelijkschap.nl)
• Van der Pluijm, M. (2024). Voor ieder kind een stevig taalhuis. Samenwerken aan een taalrijke omgeving voor jonge kinderen [openbare les]. Hogeschool Rotterdam.
• Van der Pluijm, M. (2020). At home in language. Design and evaluation of a partnership program for teachers with lower-educated parents in support of their young children’s language development (Proefschrift). Ridderprint.
• Van der Pluijm, M., Stuit, M., & Groff, C. (in voorbereiding). Maatwerk voor de taalontwikkeling van kinderen: hoe kan dat op school en thuis? Hogeschool Rotterdam.
• Waddington, J. & Esteban-Guitart, M. (2024). Funds of knowledge and identity in language learning and teaching. Innovation in language learning and teaching. DOI: 10.1080/17501229.2024.2328306
• Zumbuehl, M. & Dillingh, R. (2020). Ongelijkheid van het jonge kind. CPB Notitie. Geraadpleegd op 7 maart 2022 van: Ongelijkheid van het jonge kind (cpb.nl)