Profile

HJK draait om de wereld van het jonge kind

Logo categorie
Rekenen
09/06/2026
Leestijd 3-5 minuten
Geschreven door Kirsten Heezius

Banende rekeninstructie

“Deze toren is hoger!” roept een kleuter in de bouwhoek. Wat doe jij? Geef je een compliment? Stel je een vraag? Of loop je na je reactie door omdat er nog meer kinderen in de klas zijn? Hoe je reageert, maakt verschil. Ontdek hoe je met banende instructie aansluit bij wat een kind in zijn spel laat zien, zonder het spel over te nemen.

Save the children

Begin bij wat je ziet
Bij banende instructie doe je mee in wat het kind doet. Je bouwt of verdeelt mee, of volgt het verhaal dat het kind laat zien. Je geeft woorden aan wat er gebeurt en maakt het denken zichtbaar. Of je stelt een vraag die aansluit bij het spelmoment en geeft het kind ruimte om oplossingen te bedenken (Van Luit, 2024).
Je verwoordt handelingen, denkt mee in het spel en stelt vragen die het denken verder openen. Belangrijk is hierbij dat het alleen vragen zijn die uitnodigen tot verder denken. Breng nog geen nieuwe structuur of richting aan het spel, maar blijf dicht bij wat het kind zelf onderzoekt en inbrengt. Dát is de kern van banende instructie: kijken, aansluiten en ruimte geven aan denken en taal.

Drie vormen van reken-wiskundige instructie
In het vorige artikel in HJK 9, Rekeninstructie in het spel, las je al dat reken-wiskundige instructie in de kleutergroep verschillende vormen kan aannemen. Afhankelijk van wat kinderen laten zien, kies je wat past:

  1. Banende instructie: je sluit aan bij het spel van het kind.
  2. Structurerende instructie: je biedt houvast en helpt ordenen.
  3. Expliciete instructie: je geeft gerichte uitleg.

Deze driedeling uit de NRO-leidraad Betekenisvol en doelgericht reken-wiskundeonderwijs in groep 1-2 helpt om bewust te kiezen wat op dat moment nodig is (Van Luit et al., 2025).

Kijken, aansluiten en afstemmen
Als leerkracht wil je weten waar een kind staat in zijn of haar ontwikkeling. Vanuit die betrokkenheid stel je soms een vraag. Maar als je te snel wilt weten of iets ‘goed’ is, kun je onbedoeld voorbijgaan aan het spel en aan wat het kind op dat moment laat zien.
Allereerst vraagt dit dat je kunt vertragen. In een groep waarin veel tegelijk gebeurt, is het verleidelijk om snel richting te geven. Daarnaast vraagt het om inhoudelijke kennis. Je moet weten wat rekenontwikkeling inhoudt om te herkennen wat je ziet: zegt een kind de telrij op of begrijpt het wat het doet? Vergelijkt het op gevoel of met inzicht? Tot slot vraagt het vertrouwen: dat denken zich ontwikkelt als je het serieus neemt.

Met banende instructie beweeg je mee met het spel

Banende instructie in de praktijk
Hoe ziet dat er dan uit, aansluiten bij wat een kind laat zien? Niet in theorie, maar gewoon in de huishoek of bouwhoek, midden in het spel. In de volgende voorbeelden zie je hoe banende instructie vorm krijgt in alledaagse momenten.

In de huishoek roert Sofie geconcentreerd in een pan. Naast haar spelen twee andere kinderen. Ze zitten dicht bij elkaar, maar ieder in hun eigen spel. Ik blijf even staan kijken. Sofie roert rustig en kijkt af en toe in de pan, alsof ze steeds controleert of het al klaar is.
Ik ga naast haar staan, pak ook een pan en roer mee. “Wat ruikt dit lekker,” zeg ik. “Ik roer heel voorzichtig, anders spat het misschien.” Sofie kijkt even naar mijn pan en roert verder. “Is het al warm, denk je?” Ze houdt haar lepel even stil en kijkt in de pan. “Nog niet.” Ze draait het knopje van het gasfornuis wat verder open en roert opnieuw.
De andere kinderen spelen nog naast ons. Terwijl ik blijf roeren, zeg ik: “Het ruikt al steeds lekkerder.” Eén van hen kijkt op. “Wat maken jullie?” “Soep,” zegt Sofie.

Door mee te spelen en taal te geven aan wat er gebeurt, krijgt Sofie ruimte om zelf te bedenken wat er nodig is. Haar idee ontstaat in het spel. Tegelijk nodigt de taal uit tot gesprek met de andere kinderen.

In de huishoek loopt Teun trots naar me toe met een tas. “Kijk juf, in deze tas zitten héél veel cadeautjes!” Ik kijk in de tas. “Wat een volle tas. Voor wie zijn al die cadeautjes?”
“Voor de hele klas!” “Voor iedereen? Dan heb je er vast veel nodig.” “Twintig,” zegt hij meteen.
We zetten de tas op tafel. Teun haalt de cadeautjes er één voor één uit. Het zijn er vijf. Ik kijk naar de cadeautjes op tafel. “We hebben nu dus vijf cadeautjes.” Ik laat mijn blik even naar hem gaan en zeg daarna: “En in onze klas zitten twintig kinderen.” Ik stel geen vraag. Ik leg niets uit. Ik benoem alleen wat er is. Teun kijkt van de vijf cadeautjes naar de lege tas. Hij blijft even stil. Zijn lippen bewegen terwijl hij telt. “Dat is niet genoeg,” zegt hij. “Dan missen we er nog vijftien.” “Vijftien,” herhaal ik. “Dan moet ik er nog vijftien maken,” zegt hij.

Ruimte ontstaat hier niet door iets in te vullen, maar door te benoemen wat er is: vijf cadeautjes en twintig kinderen. Hierdoor krijgt Teun de kans om zelf het verschil te zien. Door te herhalen wat hij zegt, versterk je zijn redenering.
De oplossing komt niet vanuit de leerkracht, maar groeit in het denken bij het kind. In dat denken ontstaat een gesprek dat aansluit bij het spel. Dat is banende instructie: taal gebruiken om ruimte te maken voor oplossingen die van het kind zelf zijn.

Jouw vragen nodigen uit tot denken, verwoorden en verder spelen

Wat zie je na je interventie?
Banende instructie stopt niet na je vraag of meespelen. Juist daarna begint het opnieuw kijken. Want wat verandert er? Zie je dat de taal van het kind rijker wordt? Dat het spel meer samenhang krijgt? Dat een kind zichzelf corrigeert? Dat kinderen met elkaar in gesprek raken? Dat oplossingen ontstaan in het spel zelf?
Banende instructie beweegt mee met het spel. Je blijft aanwezig en geeft waar nodig taal aan wat zichtbaar wordt. Je vult nog niets in, maar creëert ruimte waarin kinderen zelf oplossingen kunnen bedenken en met elkaar in gesprek kunnen gaan. Soms is dat genoeg. Een kind pakt het denken op, legt verbanden of betrekt een ander in het spel. Zo blijft het spel van het kind, maar groeit het denken daarin mee.
En soms zie je iets anders. Het tellen blijft verwarrend. Het verdelen lukt niet. Het overzicht ontbreekt. Het denken blijft zoeken. Dat is waardevolle informatie.
Op basis van wat je waarneemt, maak je een professioneel afgewogen keuze: groeit het denken verder binnen het spel of vraagt dit moment om meer houvast?

Kleine interventies, groot effect
Banende instructie krijgt vorm in het spel en begint met aandachtig kijken. Je sluit aan bij wat een kind in handelen, taal en spel al laat zien en volgt wat er in het spel zichtbaar wordt. Door te observeren en te verwoorden wat zichtbaar wordt, ontstaat denkruimte. Daarin kan een kind ideeën verkennen, uitproberen en verdiepen.
Vragen krijgen daarin niet de functie van controleren of een kind iets ‘weet’, maar om denken te openen: ze nodigen uit tot denken, verwoorden en verder spelen. Zodra een vraag bedoeld is om kennis te toetsen, kan dat proces juist stilvallen.

Deze vorm van instructie vraagt om vertragen, kijken en vertrouwen. Als leerkracht ga je mee in het spel, kijk je goed naar wat daarin zichtbaar wordt en stem je daar zorgvuldig op af. Soms is die ruimte genoeg. Soms laat observatie zien dat het denken nog houvast mist. Dan ontstaat de overgang naar structurerende instructie.

Vooruitblik
In het laatste artikel van deze reeks ontdek je hoe je structurerende instructie bewust en doelgericht inzet, zonder het spel los te laten. Dit artikel verschijnt exclusief online. Volg onze nieuwsbrief en socials, zodat je het niet mist.

Book iconLiteratuurlijst

Kirsten Heezius

Kirsten Heezius is onderwijsadviseur bij de Rolf groep en gespecialiseerd in reken-wiskundeonderwijs bij jonge kinderen, waarbij kijken naar kinderen en betekenisvol leren centraal staan.