Versje: eerst zat je in een eitje
Liedjes en versjes zorgen ervoor dat peuters en kleuters op een speelse manier de melodie van taal kunnen ervaren, nazeggen en zingen. Hiermee leg je de basis voor de auditieve vaardigheden die de kinderen nodig hebben om te leren lezen. Het kind leert zich te concentreren op klanken en gaat overeenkomsten en verschillen tussen klanken horen.
Versjes, verhalen en liedjes kun je meerdere keren voorlezen en zingen. Door de herhaling leren de kinderen (delen ervan) uit het hoofd. Zo train je het auditieve geheugen. Een ontwikkeld auditief geheugen is een belangrijke voorwaarde voor het leren lezen: bij het verklanken van de letters moet het kind de klanken in de juiste volgorde kunnen onthouden.
Dit bewegingsversje sluit aan bij verschillende thema’s die in deze periode van het jaar aan bod komen, zoals het seizoen lente en de paasdagen. Door dit versje dagelijks in te zetten als taalroutine, bied je structuur en versterk je op een speelse manier de woordenschat en het taalgevoel van de kinderen.
Eerst zat je in een eitje.
Eerst zat je in een eitje.
(Maak met beide handen een ronde vorm voor je buik, alsof je een ei vasthoudt.)
Daarbinnen was het kaal.
Toen groeide jij een tijdje.
(Laat groei zien door je hand steeds verder omhoog te doen.)
Krak, zei de eierschaal.
(Doe beide handen tegen elkaar en trek ze met een duidelijke ‘krak’-beweging uit elkaar.)
Je stapte uit het dopje.
(Maak een stapbeweging met de voeten.)
En keek eens om je heen.
(Kijk rustig links en rechts.)
Je schudde met je kopje.
(Schud zachtjes met je hoofd.)
Daar stond je nu alleen.
Je hebt een zacht, geel lijfje.
(Aai met beide handen zacht over je buik.)
Dat is helemaal van dons.
(Wapper met je vingers langs je armen, alsof het veertjes zijn.)
En als je wilt dan blijf je
(Maak een uitnodigend gebaar met je handen.)
gezellig wat bij ons.
(Wijs de kring rond.)