Begrijpend luisteren en prentenboeken
Begrijpen je kleuters het verhaal écht, of luisteren ze vooral mee? Prentenboeken bieden volop kansen om doelgericht te werken aan verhaalbegrip van leerlingen in groep 1/2. Met vijf praktische tips ontdek je hoe je begrijpend luisteren versterkt en alle kinderen actief laat meedenken.
Begrijpend luisteren is een belangrijke vaardigheid om tot goed tekstbegrip te komen (Eskes, 2023). Begrijpend luisteren in algemene zin gaat over het begrijpen en volgen van gesproken taal. Specifiek in groep 1/2 gaat het over het kennisnemen van de boodschap van een (voorgelezen) schriftelijke bron (Eskes, 2023).
Foto: Tom van Limpt
Prentenboeken voorlezen is een geschikte manier om te werken aan begrijpend luisteren. Het voordeel van werken met prentenboeken is dat ieder boek een afgerond verhaal bevat, met aan het eind een ‘clou’ of diepere boodschap. Hierdoor lenen deze boeken zich goed voor het werken aan verhaalbegrip door middel van begrijpend luisteren. Een ander voordeel is de ruime keuze aan prentenboeken, passend bij veel verschillende thema’s. Onderstaande tips bieden je praktische handvatten om jouw opbrengsten uit lessen met een prentenboek te vergroten.
Tip 1: Toon platen uit het prentenboek op het digibord
Het inscannen van afbeeldingen uit een prentenboek doe je binnen twee minuten, met bijvoorbeeld de app Microsoft Office Lens. Toon de platen tijdens het voorlezen op het digibord. Let op: het fysieke boek is tijdens het voorlezen onmisbaar! Maar door het gelijktijdig tonen van de platen op het bord, komt de kracht van het prentenboek nog meer tot uiting. Bij een prentenboek vertellen prent én tekst immers samen het verhaal. Door kinderen daar gelijktijdig aan bloot te stellen, draag je bij aan verhaalbegrip en woordenschat (Takacs & Bus, 2018).
Met platen uit het boek op het digibord komt de kracht van het verhaal nog meer tot uiting
In Boer Boris gaat naar zee van Ted van Lieshout & Philip Hopman wordt dit principe duidelijk. Halverwege schrijft Van Lieshout: “Daar gaan ze in een lange stoet naar Zandvoort aan de zee.” Hopman tekent hierbij een optocht van vervoersmiddelen die achter elkaar aan rijden. Als je tijdens het voorlezen tegelijkertijd de plaat toont én de stoet op de plaat aanwijst, is de kans groot dat jouw leerlingen begrijpen wat een stoet is. Het woord ‘stoet’ wordt zo eerst toegevoegd aan de passieve woordenschat van de leerlingen. Na herhaald voorlezen en actief gebruik van het woord door jou als leerkracht in andere situaties, zullen veel leerlingen dit woord ook aan hun actieve woordenschat toevoegen.
Tip 2: Focus eerst op de inhoud van het verhaal
Stel na het voorlezen eerst vragen over de inhoud van het verhaal, in plaats van over de eigen ervaringen van het kind. Hierdoor kunnen alle kinderen meedenken, want iedereen heeft zojuist het verhaal gehoord. Bij vragen als “Heb jij ook weleens gelogeerd?” of “Ben jij ooit naar de dierentuin geweest?” beperk je de deelname van kinderen die daar wellicht geen ervaring mee hebben. Deze ervaringsvragen kunnen wel aan bod komen in een-op-een gesprekjes. Het doel is dan om de vertrouwensband met de leerling uit te breiden en de mondelinge taalvaardigheid van de individuele leerling te stimuleren.
In Frank en Bert van Chris Naylor-Ballesteros spelen twee dieren verstoppertje. Het is heel verleidelijk om de leerlingen na het voorlezen te vragen of zij ook weleens verstoppertje hebben gespeeld. Hiermee oefenen de kinderen echter niet met begrijpend luisteren en verhaalbegrip. Interessanter is om de leerlingen met elkaar te laten praten over waarom Frank altijd wint met verstoppertje en hoe het komt dat Bert ook een keer wint. Werk met kaartjes waarop antwoordopties staan, bijvoorbeeld een plaatje van een muts, een sjaal en een boom. Waardoor kon Frank winnen met verstoppertje? Hoe kwam dat? Zo kom je echt in gesprek met de kinderen over de verhaallijn van het boek.
Tip 3: Start met receptieve vragen
Bij receptieve vragen check je het begrip van leerlingen door ze iets te laten aanwijzen, in volgorde te laten leggen of een voorwerp te laten leggen bij hun antwoord. Hierbij is het nog niet nodig dat leerlingen actief taal gebruiken. Door te starten met receptieve vragen, geef je kinderen die weinig (Nederlandse) taal tot hun beschikking hebben of verlegen zijn, toch de gelegenheid om mee te doen.
In een SO-groep 1/2 uit cluster 3 met zowel sprekende als niet-sprekende kinderen, observeerde ik een voorleesles. De leerkracht had gekozen voor het prentenboek Vos gaat een stukje rijden van Susanne Strasser. Na het voorlezen kregen alle leerlingen een gelamineerd kaartje met een dier uit het verhaal erop. De leerkracht toonde de platen uit het verhaal nogmaals op het digibord. Per plaat keken de kinderen samen met de leerkracht in welke volgorde welk dier instapte bij vos. Om de beurt legden de leerlingen hun kaartje in de juiste volgorde. De leerkracht ondertitelde deze opdracht door mondelinge rijke taal zoals: “Kijk, muis stapt als eerste in!” “Daarna stapt mol bij vos in.” “Vervolgens wil vogel erbij.”
Tip 4: Zet coöperatieve werkvormen in
Door coöperatieve werkvormen toe te passen in je les, zorg je voor deelname van alle leerlingen. Werk bijvoorbeeld met kniemaatjes in de kring. Als je dit oefent, leren jouw leerlingen vlot in tweetallen overleggen (werkvorm Tweepraat, Kagan, 2020).
Door vragen te stellen over inhoud kunnen álle kinderen meedenken
Een leerkracht van groep 1/2 werkte in haar groep met de Close reading-aanpak (Close reading, Lapp e.a., 2018). Bij het voorlezen van Het huis van Sinterklaas van Naomi Tieman stonden de ‘wie’, ‘wat’ en ‘waar’ van het verhaal centraal. De kniemaatjes kregen na het voorlezen één minuut overlegtijd om de ‘wie’ van het boek te bespreken. Daarna besprak de leerkracht klassikaal waar de tweetallen het over gehad hadden. Natuurlijk werden ‘Sint’ en ‘pieten’ genoemd als personages, maar er was ook een tweetal dat ‘kinderpieten’ benoemde (dit verhaal is verteld uit het perspectief van kinderpieten). Vervolgens kregen de tweetallen dezelfde opdracht met de ‘wat’ en ‘waar’. Ook daar bleek in de klassikale nabespreking dat alle kinderen hadden nagedacht en gepraat over het verhaal. Zo kon de leerkracht samen met de klas tot de essentie van het boek komen. Door de coöperatieve werkvorm én het klassikale nabespreken na iedere werkvorm, kwam deze klas dus tot dieper verhaalbegrip.
Een variant bij tip 4 is om wie, wat en waar op drie kleuren papier te printen en te lamineren. Elke leerling krijgt na het voorlezen een gekleurd kaartje en gaat op zoek naar een klasgenoot met hetzelfde kaartje. Samen bespreken ze de vraag op het kaartje. Daarna zoeken de leerlingen een klasgenoot op met een ándere kleur. Zo komen alle kinderen in korte tijd veel te weten over het verhaal.
Tip 5: Gebruik scaffolding-technieken
Pas scaffolding toe, zodat alle leerlingen een opstapje hebben om mee te doen. Scaffolding betekent letterlijk ‘steigers bouwen’, maar wordt ook vertaald als ‘taalsteun’ (Hajer & Meestringa, 2024). Het slaat op de tijdelijke ondersteuning die je als leerkracht biedt, zodat alle leerlingen kunnen deelnemen. Vormen van scaffolding zijn: een afbeelding of filmpje tonen bij tekst, parafraseren (in andere woorden vertellen) van een verhaal, picto’s of een schema gebruiken, of het beluisteren van het verhaal in de thuistaal van de leerling.
Stel na het voorlezen vragen over het boek
Bij het prentenboek Fiet wil rennen van Bibi Dumon Tak & Noëlle Smit maakte een leerkracht van groep 1/2 de hoofdpunten uit het boek behapbaar, door als scaffolding plaatjes uit het boek, picto’s en tekst op een groot vel te verzamelen (zie foto). Hierdoor konden de leerlingen bij de tweede en derde keer voorlezen een stapje dieper het verhaal in. De informatie uit de eerste voorleesronde was immers al voor ze geordend.
- Artikel: Vernooy-Vriens, L. (2024). Houd ze aan de praat. JSW 109(2), oktobernummer.
- ‘Voorlezen: het nut van herhaling, illustraties en vragen stellen.’ Onderzoek van Stichting Lezen, 23 oktober 2023.
- Onderzoekspublicatie Inzet van digitale prentenboeken in kindcentra – Stichting Lezen (2025)
- Boek: Oracy, de kracht van spreken, denken en luisteren. Op de Beek & Coenraats (2025). Amersfoort: CPS Uitgeverij.
- Eskes, M. (2023). Begrijpend lezen in een doorlopende lijn. Huizen: Pica.
- Hajer, M. & Meestringa, T. (2024). Handboek taalgericht vakonderwijs. Meppel: Coutinho.
- Kagan, S (2020). Coöperatieve werkvormen voor elke groep en ieder vak. Den Haag: Bazalt groep.
- Lapp, D. e.a (2018). Close reading; werken aan dieper tekstbegrip in het basisonderwijs. Huizen: Pica.
- Takacs, Z.K. & Bus, A. (2018). ‘How pictures in picture storybooks support young
- children’s story comprehension: An eye-tracking experiment’. Journal of Experimental Child Psychology, 174, oktobernummer.