Aandacht voor taal, invloed op gedrag
De manier waarop taal zich ontwikkelt bij een kind heeft invloed op het gedrag van een kind. Het bepaalt hoe een kind emoties en gevoelens reguleert en onder woorden brengt, hoe het relaties aangaat en met zijn naaste omgeving communiceert.
In het eerste artikel van het tweeluik ‘Inspelen op taalontwikkeling’ (‘Verwerven van taal’; Van der Lee-van Broekhoven & Das, 2021) behandelden we hoe je taal kunt stimuleren bij het jonge kind. De interventie ZICHT, waarmee een leerkracht taal kan versterken in de klas, is besproken. Ook is er stilgestaan bij de drie vormen van taal van Vygotsky: sociale spraak, privéspraak en innerlijke spraak. In dit artikel wordt gekeken naar de invloed van taalontwikkeling op andere aspecten van ontwikkeling, zoals het reguleren van emoties en gedrag, de zogenaamde zelfregulatie.
Een interventie om te gebruiken voor de hele klas is interactie tussen kinderen en leerkracht via de dialoogcirkel
Zelfregulatie, het transactioneel model en bio-ecologisch model
Leerlingen moeten kennis verwerven, kennis en vaardigheden toepassen en met informatie leren omgaan. Leren is daarbij een actief en constructief proces, waarin taal en zelfregulatie een grote rol spelen. Zelfregulatie is controle hebben over je leerproces via je intern gerichte capaciteit en daarbij cognitieve, motivationele en gedragsmatige processen zelfstandig en met eigen verantwoordelijkheid kunnen sturen (Meusen-Beekman et al., 2016). Vaardigheden die het zelfregulerend vermogen ondersteunen, zijn het reguleren van gedrag, gevoelens en gedachten. Daarnaast is reflecteren op feedback verkregen van school en uit de naaste omgeving ondersteunend. Ook het vermogen om af te stemmen op de ander is goed voor het zelfregulerend vermogen. Dit is onder andere belangrijk voor samenwerken met leeftijdsgenoten. De mate van controle hebben over zelfregulatie en de bijpassende vaardigheden wordt mede bepaald door de taalontwikkeling en regulatie door anderen.
Bij de ontwikkeling van privéspraak (private speech), sociale spraak (social speech) en innerlijke spraak (inner speech) (Vygotsky, 1934; 1962) is interactie op school, thuis en in de naaste omgeving belangrijk. Sameroff (2010) heeft een transactioneel ontwikkelingsmodel ontworpen over de verhouding van regulatie door anderen en zelfregulatie. Daaruit blijkt dat zelfregulatie groeit door de regulatie van anderen. De voortdurende wisselwerking tussen het kind en de omgeving is hierbij belangrijk.
Bronfenbrenner (1979) heeft een ecologische systeemtheorie ontwikkeld over de ecologie rondom een mens, waarbij duidelijk wordt dat school en de omgeving van een kind van invloed zijn op de ontwikkeling van het kind. Deze systeemtheorie is later het bio-ecologische model genoemd. Die ecologie wordt gereguleerd door jezelf. Direct om je heen staat het gezin, de leiders op de kinderopvang/peuterspeelzaal, de vrienden, de leerkrachten op school. Dit valt onder het microniveau. Daaromheen staan de familie, de directe omgeving en de school (mesoniveau). Vervolgens heb je media, religie waarmee je opgroeit, het werk van de ouders, de cultuur en economie van het land waarin je opgroeit en de maatschappij. Dat is exo- en macroniveau en tot slot zijn er nog de tijdselementen (chrono-niveau). Daarbij kun je bijvoorbeeld denken aan de omstandigheden waaronder je op de wereld bent gekomen en – in de actualiteit – de invloeden van de pandemie COVID-19.
Bij beide transactionele modellen wordt de invloed van buitenaf en de regulatie door anderen duidelijk.
Geïntegreerd transactioneel model van taal en zelfregulatie
Sameroff (2010) spreekt over de transactionele relatie tussen zelfregulatie en regulatie door anderen als familie, school, omgeving en maatschappij. Vanaf de start van de ontwikkeling is de regulatie door anderen nog groot. Hoe ouder het kind wordt, hoe meer de zelfregulatie ontwikkelt. Tegelijkertijd ontwikkelen de taalvaardigheden zich door, van de sociale spraak en privéspraak (rond twee jaar) naar innerlijke spraak (rond zeven jaar) (Vygotsky, 1934; 1962). De innerlijke spraak heeft onder andere tot doel de zelfregulatie te verbeteren.
Bronfenbrenner (1979) spreekt over de ecologie rondom een mens. Die ecologie wordt gereguleerd door jezelf, maar onder invloed van het micro-, meso-, exo-, macro- en chrono-niveau die als een soort ui met zijn verschillende lagen om een persoon heen hangt. De rol van de ecologische systemen worden met de groei in jaren ook steeds groter. Hoe dichter de laag bij het kind staat, hoe groter de directe invloed van die laag op de ontwikkeling van het kind is (Van der Wal & De Wilde, 2017). Je ecologie is van invloed op hoe je leven zich ontwikkelt en hoe je communicatie verloopt. Daarbij hoort ook de taalverwerving.
Kijkend naar taalverwerving en ontwikkeling van een kind van nul tot zeven jaar, hebben wij het transactionele model van Sameroff, het bio-ecologiemodel van Bronfenbrenner en de drie fases van taalverwerving van Vygotsky met elkaar gecombineerd tot één geïntegreerd transactioneel taal- en zelfregulatiemodel (zie figuur 1).
Figuur 1 – Geïntegreerd transactioneel ontwikkelingsmodel van taal en zelfregulatie van nul tot zeven jaar
Sven maakt duidelijk wat hij voelt
In de kleuterklas zit Sven. Een jongetje van vijf jaar dat nog moeite heeft met het uitspreken van klanken en woorden. Wanneer er iets is wat hij niet fijn vindt óf er gebeurt iets wat hij niet leuk vindt, dan kan hij moeilijk met woorden aangeven wat er aan de hand is. Om wél duidelijk te maken wat er aan de hand is, gaat Sven krijsen, stampen en op de grond liggen om kenbaar te maken dat hij dit niet wil. De juf blijft rustig en vertaalt het gedrag van Sven in woorden. Dit helpt Sven om wat rustiger te worden. Zijn zelfregulatie is nog niet ver genoeg ontwikkeld. Hij mist de transactie van zijn privéspraak naar zijn sociale spraak, waardoor hij met gedrag duidelijk probeert te maken wat hij voelt en ervaart.
Om het proces van innerlijke spraak te bevorderen, kan de leerkracht via werkvormen een taalrijke omgeving aanbieden, waarbij deze situaties creëert waarin een kind initiatief leert nemen. We bespreken een interventie die kan bijdragen aan de taal- en gedragsontwikkeling van kinderen door het bespreekbaar maken van emoties, via een gestructureerd patroon.
Om het proces van innerlijke spraak te bevorderen, kan de leerkracht via werkvormen een taalrijke omgeving aanbieden
Dialoogcirkels om taal en gedrag te verbinden
Een interventie om te gebruiken voor de hele klas is interactie tussen kinderen en leerkracht via de dialoogcirkel (class community circle). Dit is een methodiek om twintig minuten lang de dialoog aan te gaan met elkaar in de klas, waarbij de gelegenheid wordt geboden om systematisch gedachten, gevoelens, zorgen, wensen, ideeën en inzichten en behoeftes te delen zonder dat er geoordeeld wordt. Zo ontstaat in een veilige sfeer een open, directe communicatie. Zo leren kinderen en de leerkracht elkaar beter begrijpen. Ze versterken en bouwen relaties op in de klas en met de leerkracht. Door de systematische werkwijze verschilt deze methodiek wezenlijk van het traditionele kringgesprek.
Er wordt in een kringopstelling gewerkt om de gelijkwaardigheid tussen de kinderen en leerkracht te benadrukken. Het gesprek wordt geleid door de leerkracht (of een kind).
De gespreksleider neemt plaats in de kring om te tonen dat hij facilitator en luisteraar is tijdens deze bijeenkomsten, en geen gezagsdrager. Het is wenselijk een training tot gespreksleider te volgen.
In de dialoogcirkel worden vooraf gemaakte afspraken opgevolgd, bijvoorbeeld over het gedrag in de cirkel, het gebruik van een vertelvoorwerp en eindsignaal. En het hebben van respect voor elkaar. Een vertelvoorwerp herinnert de deelnemers eraan dat slechts één persoon tegelijk spreekt en dat hun ogen op de spreker gericht zijn. Deelname aan de cirkel wordt gestimuleerd, maar is niet verplicht. De gesprekken in de dialoogcirkel verlopen via een vaste volgorde.
Eerst de begroeting, waarbij namen van de deelnemers worden opgenoemd en een korte activiteit om een positieve, ontspannen sfeer te creëren. Dan ga je in op de gevoelens van iedereen, zodat er verbinding ontstaat tussen school en thuis, tussen kinderen en leerkracht. Vervolgens behandel je een thema, bijvoorbeeld het tonen van empathie, gedragsverwachtingen aanleren of sociale en emotionele vaardigheden oefenen.
Ter afsluiting van de dialoogcirkel stel je reflectievragen en gebruik je een afgesproken eindsignaal.
Een voordeel van de dialoogcirkel is het verminderen van ongewenst gedrag, door taal te verbinden aan gevoel en gedachten (www.iirp.org). Kinderen die zich beter begrepen voelen en zich veilig voelen in de groep en bij de leerkracht zijn minder geneigd zich te misdragen. Ook leren ze vaardigheden op het gebied van zelfbeeld, zelfcontrole, emoties en problemen oplossen. Dit zijn belangrijke vaardigheden en factoren voor kinderen om succesvol te zijn van kleuter naar een groep 3 leerling.
Een dialoogcirkel in groep 3 met Lara
Lara vindt het moeilijk om de juiste woorden te vinden die omschrijven met welk gevoel ze de klas binnenkomt. Als de leerkracht aan de kinderen in de klas vraagt met welke smiley ze die dag starten, kiest Lara een blije smiley, maar ze kan er geen woorden aan verbinden. De leerkracht legt uit dat ze een blije smiley heeft, omdat ze rustig is opgestaan en het lesprogramma van vandaag leuk vindt. Daarna krijgt Lara de beurt om uit te leggen waarom zij een blije smiley heeft gekozen. Zij geeft aan dat mama haar rustig wakker heeft gemaakt en ze met haar broer en mama heeft kunnen ontbijten. Dat vond ze fijn. Ook heeft ze zin in school vandaag.
Voorbeeldactiviteiten om positieve sfeer en vertrouwen op te bouwen
Inchecken: vraag elke leerling om te beoordelen hoe hij zich voelt op een schaal van één tot vijf, waarbij een ‘vijf’ een aanstaande verjaardag kan betekenen en een ‘één’ thuis problemen kan betekenen. Begin de activiteit door te delen hoe je je voelt en waarom.
Je zit in mijn boot: laat een leerling iets persoonlijks vertellen, zoals een ervaring of iets waarin hij geïnteresseerd is door te zeggen: ‘Je zit in mijn boot als …’ Bijvoorbeeld: ‘Je zit in mijn boot als je buiten wilt spelen.’ Of: ‘Je zit in mijn boot als iemand vanmorgen boos op je is geworden.’ Alle kinderen die het met de stelling eens zijn, staan op en veranderen van stoel; de anderen blijven zitten.
Taal verbinden aan gevoelens
Door meer aandacht te hebben voor taalontwikkeling in de klas kan gedrag positief beïnvloed worden. Hierbij spelen de zelfregulatie en ecologie van een kind een rol. Als leerkracht kun je invloed uitoefenen op de taalontwikkeling en de zelfregulatie van een kind door gebruik te maken van dialoogcirkels. Zo kun je in je klas systematisch taal verbinden aan gevoel en gedachten bij kinderen.
• Bronfenbrenner, U. (1979). The Ecology of Human Development Experiments by Nature &Design Cambridge, MASS.: Harvard University Press.
• Meusen-Beekman, K.D., Joosten- ten Brinke, D. en Boshuizen, H.P.A. (2016). De retentie van zelfregulatie, motivatie en self-efficacy in het voortgezet onderwijs na formatief toetsen in het basisonderwijs, (91) p. 136-153.
• Rigter, J., & Van Hintum, M. (2013). Ontwikkelingspsychopathologie bij kinderen en Jeugdigen. Bussem: Uitgeverij Coutinho.
• Sameroff, A. (2010). A Unified Theory of Development: A Dialectic Integration of Nature and Nurture Child Dev, 81(1).
Van der Wal, J. & de Wilde, J. (2017) Identiteitsontwikkeling en leerlingbegeleiding. Bussum: Uitgeverij Coutinho
• Vander Beken, K. (2011). Personen met een auditieve beperking In G. v. H. Broekaert, S Vandevelde, V. Soyes & W Vanderplassen (Ed.), Handboek bijzondere orthopedagogiek, . Antwerpen -Apeldoorn: Garant.
• What is Restorative Practices? (2020). Retrieved from https://www.iirp.edu/restorative-practices/what-is-restorative-practices.