Motoriek in ontwikkeling
In de klas zie je het elke dag: grote verschillen in hoe kinderen bewegen, tekenen en schrijven. Wat hoort bij een normale motorische ontwikkeling en wanneer is extra ondersteuning nodig? Ontdek in dit eerste deel van een driedelige reeks wat de wetenschap zegt over motoriek, waarom kinderen verschillende ontwikkelroutes volgen en hoe je hen gerichter kunt begeleiden.
Motorische ontwikkeling staat volop in de belangstelling binnen het onderwijs. In de klas zie je grote verschillen in hoe kinderen bewegen, tekenen en schrijven. Het ene kind schrijft al vloeiend kleine letters, terwijl een ander nog grote bewegingen nodig heeft om grip te krijgen op het potlood. Dat roept herkenbare vragen op bij leerkrachten: hoort dit bij een normale ontwikkeling, wanneer is extra begeleiding nodig en wat kun je als leerkracht doen om kinderen hierin te ondersteunen?
Hoe verloopt het motorisch ontwikkelingsproces?
De kern van de huidige wetenschappelijke inzichten over het motorisch ontwikkelingsproces is het begrip ‘plasticiteit’. Dit betekent dat het brein continu nieuwe verbindingen aanmaakt, bestaande verbindingen versterkt en ongebruikte verbindingen weer afbreekt. Dit ontwikkelingsproces hangt niet alleen af van aanleg, maar ook sterk van wat het kind doet (de taak) en waar het dit doet (de omgeving).
Taak en omgeving veranderen voortdurend en bieden telkens nieuwe ervaringen waarop het brein reageert. Daardoor blijft het, net als het kind, voortdurend in beweging. Deze inzichten passen bij de Neurale Groep Selectie Theorie (NGST) en de Dynamische Systeemtheorie, die ontwikkeling beschouwen als een complex, niet-lineair proces dat ontstaat uit de interactie tussen kind, (taak) en omgeving (Hadders-Algra, 2022, Shumway-Cook e.a., 2023).
De rol van taak en omgeving
Motorische vaardigheden ontwikkelen zich in een voortdurende wisselwerking tussen aanleg, de taak die een kind uitvoert en de kansen om hiermee te oefenen, binnen een sociale en fysieke omgeving. Onderzoek laat zien dat vooral rijke en afwisselende omgevingen deze ontwikkeling ondersteunen. Kinderen hebben ruimte nodig om te verkennen, te proberen en dezelfde beweging op verschillende manieren uit te voeren. Dat helpt hen om hun motoriek breder en flexibeler te ontwikkelen (Hadders-Algra & Heineman, 2021).
Geen vast ontwikkelpad
Hoewel veel kinderen motorische mijlpalen zoals rollen, kruipen, lopen en springen in ongeveer dezelfde volgorde doorlopen, verschilt het tempo en de precieze volgorde per kind aanzienlijk. Niet ieder kind volgt hetzelfde pad. In onderzoek wordt motorische ontwikkeling daarom steeds vaker omschreven als een dynamisch en niet-lineair proces. Kinderen leren bewegen doordat zij zelf, al spelend en onderzoekend, nieuwe oplossingen uitproberen en bewegingsstrategieën stap voor stap aanpassen en verfijnen (Adolph & Franchak, 2017; Hadders-Algra, 2018; Adolph e.a., 2018). Dat zie je later ook terug in de fijne motoriek en schrijfmotoriek in groep 3.
Schrijven in groep 3
De ontwikkeling van schrijven verloopt zelden in een rechte lijn, maar kent sprongetjes vooruit, kleine terugvallen en veel variatie tussen kinderen. Elk kind zoekt hierin een eigen weg, met een uniek tempo en eigen voorkeuren in pengreep, lettervorming en het organiseren van bewegingen.
Het idee van plasticiteit, het ‘brein in beweging’, maakt duidelijk dat kinderen niet allemaal langs dezelfde route leren bewegen. Elk kind heeft tijd en ruimte nodig om in een eigen tempo en volgorde (fijn)motorische vaardigheden op te bouwen. Een gevarieerd en uitnodigend aanbod van beweegactiviteiten ondersteunt kinderen in hun motorische groei. Denk aan verschillende materialen, werkplekken en taakjes voor fijne motoriek en schrijfmotoriek, zodat ieder kind een eigen weg kan zoeken. Zo sluiten onderwijs en begeleiding beter aan bij de unieke ontwikkelingslijn van ieder kind.
Waarom taakgericht oefenen werkt
Meerdere onderzoeken wijzen erop dat taakgericht oefenen de beste aanpak is als je een kind wilt helpen een specifieke vaardigheid, zoals knippen, beter onder de knie te krijgen. Motorisch leren verwijst hierbij naar relatief duurzame veranderingen in het bewegingsgedrag door oefening en ervaring, waarbij het kind steeds beter leert afstemmen op de eisen van de taak en de context. In plaats van algemene motorische oefeningen zonder directe koppeling met het doel, zoals balanceren of gekruiste bewegingen maken, heeft een kind vooral baat bij oefensituaties waarin juist die handeling waarmee het moeite heeft, wordt herhaald en op verschillende manieren uitgevoerd (Van der Veer e.a., 2024). Drie factoren zijn daarbij steeds van belang: taakgerichtheid, variatie en autonomie. Samen zorgen zij ervoor dat kinderen actief betrokken blijven, verschillende oplossingsroutes verkennen en het geleerde makkelijker kunnen toepassen in nieuwe situaties.
Een gevarieerd aanbod van beweegactiviteiten ondersteunt kinderen in hun motorische groei
Oefenen wat je wilt verbeteren
Bij taakgericht oefenen, oefenen kinderen precies die activiteit die zij willen of moeten verbeteren. Ze leren de vaardigheid in de situatie waarin ze die echt nodig hebben en niet door vooral ‘voorbereidende’ oefeningen te doen. Een kind dat beter wil leren schrijven, oefent dus met echte schrijftaken. Een kind dat wil leren knippen, oefent met verschillende kniptaken.
Variatie: leren door afwisseling
Een motorische activiteit is het meest leerzaam als deze betekenisvol is voor het kind, voldoende afwisseling biedt en plaatsvindt in een herkenbare dagelijkse context, zoals de klas of het schoolplein (Akhbari Ziegler e.a., 2019; Adolph e.a., 2018). Variatie helpt kinderen om hun motoriek flexibel in te zetten en vergroot de kans dat zij een aangeleerde vaardigheid ook in andere situaties kunnen gebruiken.
Ondersteun autonomie
Kinderen leren motorische vaardigheden vaak beter als zij actief mee mogen denken en kiezen (Adams e.a., 2018; Houwen e.a., 2021). Autonomie betekent hierbij niet volledige vrijheid, maar autonomie-ondersteuning: kinderen krijgen ruimte om eigen leerdoelen te formuleren en te oefenen op manieren die aansluiten bij hun interesses en motivatie, terwijl de taakstructuur en begeleiding helder blijven (Adolph e.a., 2018; Wulf & Lewthwaite, 2016). Deze vorm van autonomie ondersteunt motorisch leren doordat motivatie, aandacht en eigenaarschap toenemen, wat bijdraagt aan inzet en doorzettingsvermogen. De effecten van autonomie zijn daarbij contextafhankelijk en komen vooral tot hun recht als keuzevrijheid wordt gecombineerd met passende taakuitdaging en duidelijke feedback.
6 tips om taakgericht te oefenen
- Kies één duidelijke taak: veters strikken, knippen, schrijven, enz.
- Oefen met de echte handeling: doe voor in kleine stappen en verwoord wat je doet.
- Laat kinderen elkaar helpen: maak duo’s met een kind dat het al kan en een kind dat nog oefent.
- Zorg voor variatie: wissel materialen, werkplekken en opdrachten.
- Geef keuze binnen kaders: laat kinderen kiezen hoe ze oefenen.
- Herhaal en breid uit: oefen de volgende dag opnieuw in een andere context.
Oefenen met veters strikken
De principes taakgerichtheid, variatie en autonomie zijn goed toepasbaar in de klas. Bijvoorbeeld bij het oefenen van veters strikken. De leerkracht geeft een korte uitleg, doet stap voor stap voor hoe je een strik maakt en vraagt: “Wie kan al veters strikken en wie nog niet?” De leerkracht koppelt een kind dat het al kan aan een kind dat het nog lastig vindt. Uit een bos dikke veters kiezen de kinderen zelf een kleur. De leerkracht laat opnieuw de eerste stap zien en nodigt de kinderen uit om mee te doen. De leerkracht verwoordt de handeling, doet het voor en loopt rond om te ondersteunen. De kinderen helpen elkaar en verwoorden de handeling bij het uitvoeren van de opdracht. Lukt het veterstrikken bij de meeste kinderen? Dan mogen ze nieuwe veters kiezen, zoals dikkere, dunnere of een andere kleur.
Geef ruimte voor keuzes
Zo werkt de leerkracht aan één duidelijke taak, met variatie in materialen en rollen, en ruimte voor keuzes. Dat maakt het oefenen concreet, afwisselend en motiverend. Kinderen die het al kunnen, krijgen de rol van expert. Kinderen die nog leren, oefenen in hun eigen tempo en mogen ondersteuning vragen. De volgende dag kan de leerkracht de opdracht herhalen en uitbreiden. Kinderen rollen bijvoorbeeld een tekening op en maken er in tweetallen een strik omheen. Ook kunnen ze kiezen voor het dichtmaken van een schort of het maken van een strik in het haar.
Breng taakgericht oefenen, variatie en autonomie samen in één leersituatie
Zo komen taakgerichtheid, variatie en autonomie samen in lessen die dicht bij de dagelijkse leefwereld van het kind blijven. Een vergelijkbare aanpak is goed toepasbaar bij schrijfmotoriek, waarbij kinderen stap voor stap leren, variatie ervaren en zelf keuzes maken. Dit voorbeeld is bedoeld ter illustratie van hoe je taakgericht oefenen, variatie en autonomie kunt samenbrengen in één leersituatie, en niet als vast stappenplan.
In deel 2 (in HJK 9) kijken we naar twee veelvoorkomende aandachtspunten in groep 3: het ontbreken van een duidelijke voorkeurshand en zogenaamde ‘bijbewegingen’. In deel 3 (in HJK 10) staat spiegelschrift centraal en krijg je handvatten om dit gericht te observeren en effectief te begeleiden.
Dit artikel is geschreven in samenwerking met Dr. Anneloes Overvelde en Prof. Dr. Mijna Hadders-Algra. Met dank aan onze collega’s van SchrijvenNL voor hun aanvullingen en kritische feedback.
Wil je evidence-informed antwoorden op je vragen? (Praktijktip)
- Heb je een inhoudelijke vraag over je onderwijspraktijk? Raadpleeg dan eens de Kennisrotonde van het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO). De Kennisrotonde geeft toegankelijke, op onderzoek gebaseerde antwoorden op vragen van professionals uit het onderwijs.
- Ben je benieuwd waarom oudere theorieën over motorische ontwikkeling zijn verlaten? Kijk dan ook op SchrijvenNL.nl en Spelenmetgedrag.nl voor verdere verdieping.
- Adams, J., Veitch, J., & Barnett, L. (2018). Physical activity and fundamental motor skill performance of 5–10 year old children in three different playgrounds. International Journal of Environmental Research and Public Health, 15(9), Article 1896. https://doi.org/10.3390/ijerph15091896
- Adolph, K. E., & Franchak, J. M. (2017). The development of motor behavior. Wiley Interdisciplinary Reviews: Cognitive Science, 8(1–2), Article e1430. https://doi.org/10.1002/wcs.1430
- Adolph, K. E., Hoch, J. E., & Cole, W. G. (2018). Development (of walking): 15 suggestions. Trends in Cognitive Sciences, 22(8), 699–711. https://doi.org/10.1016/j.tics.2018.05.010
- Akhbari Ziegler, S., Dirks, T., & Hadders-Algra, M. (2019). Coaching in early physical therapy intervention: The COPCA program as an example of translation of theory into practice. Disability and Rehabilitation, 41(15), 1846–1854. https://doi.org/10.1080/09638288.2018.1448468
- Gilmore, J. H., Knickmeyer, R. C., & Gao, W. (2018). Imaging structural and functional brain development in early childhood. Nature Reviews Neuroscience, 19(3), 123–137. https://doi.org/10.1038/nrn.2018.1
- Hadders-Algra, M. (2002). The neuronal group selection theory: An attractive framework to explain variation in normal motor development. Developmental Medicine & Child Neurology, 44(8), 566–572.
- Hadders-Algra, M. (2018). Early human development: From variation to the ability to vary and adapt. Neuroscience & Biobehavioral Reviews, 90, 411–427. https://doi.org/10.1016/j.neubiorev.2018.05.009
- Hadders-Algra, M., & Heineman, R. K. (2021). The infant motor profile (1e ed.). New York, NY: Routledge. https://doi.org/10.4324/9780429341915
- (2019). JGZ-richtlijn motorische ontwikkeling. Geraadpleegd van https://www.jgzrichtlijnen.nl/richtlijn/jgz-richtlijn-motorische-ontwikkeling/
- Khundrakpam, B. S., Reid, A., Brauer, J., Carbonell, F., Lewis, J., Ameis, S., Karama, S., Lee, J., Chen, Z., Das, S., & Evans, A. C. (2013). Developmental changes in organization of structural brain networks. Cerebral Cortex, 23(9), 2072–2085. https://doi.org/10.1093/cercor/bhs187
- Shi, P., & Feng, X. (2022). Motor skills and cognitive benefits in children and adolescents: Relationship, mechanism and perspectives. Frontiers in Psychology, 13, Article 1017825. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2022.1017825
- Shumway-Cook, A., Rachwani, J., Woollacott, M. H., & Santamaria, V. (2023). Motor control: Translating research into clinical practice (6e ed.). Philadelphia, PA: Wolters Kluwer.
- Tymofiyeva, O., & Gaschler, R. (2021). Training-induced neural plasticity in youth: A systematic review of structural and functional MRI studies. Frontiers in Human Neuroscience, 14, Article 497245. https://doi.org/10.3389/fnhum.2020.497245
- Van der Veer, G., Cantell, M. H., Minnaert, A. E. M. G., & Houwen, S. (2024). The relationship between motor performance and executive functioning in early childhood: A systematic review on motor demands embedded within executive function tasks. Applied Neuropsychology: Child, 13(1), 62–83. https://doi.org/10.1080/21622965.2022.2128675
- Wulf, G., & Lewthwaite, R. (2016). Optimizing performance through intrinsic motivation and attention for learning: The OPTIMAL theory of motor learning. Psychonomic Bulletin & Review, 23(5), 1382–1414. https://doi.org/10.3758/s13423-015-0999-9