Profile

HJK draait om de wereld van het jonge kind

Logo categorie
Kunst & Cultuur
19/11/2019
Leestijd 7-10 minuten
Geschreven door Barbara de Jong

Op de schouders van Charlotte Bühler

‘If I have seen further, it is by standing on the shoulders of giants’ (Isaac Newton, 1676). Wanneer je de traditie kent waarin je staat, zie je meer. Dit geldt ook voor professionals die met het jonge kind werken. Op welke onderwijstheorieën berust jouw werk? Aan welke pedagogen ben jij schatplichtig? Op wiens schouders sta jij? In deze serie geven we je de woorden om je werk van vandaag te kunnen beargumenteren. Deze keer: Charlotte Bühler.

Save the children

Charlotte Bühler

Charlotte Malachowski werd in 1893 geboren in een geassimileerd joods gezin te Berlijn. Ze groeide op in een rijk en cultureel milieu. Haar vader was architect in opdracht van het koninkrijk Pruisen, haar moeder (autodidactisch) archeologe en musicus. Ze waren allebei vaak op reis zodat zij en haar broer door gouvernantes werden opgevoed. Nadat ze het gymnasium had afgerond, mocht ze verder studeren, in 1913 nog uitzonderlijk voor een meisje. Tegen de wil van haar vader koos ze daarna niet voor de natuurwetenschappen, maar voor de psychologie die in die tijd nog deel uitmaakte van de filosofie. De jonge vrouw wilde de grondslagen van het menselijk leven begrijpen. Deze tendens, de wil om het menselijk individu te begrijpen, zou een blijvend kenmerk van al haar onderzoek worden. Omdat religie voor haar deze vraag niet afdoende kon beantwoorden, kwam ze terecht bij de in opkomst zijnde (denk)psychologie. Zo leerde zij als wetenschappelijk assistente in 1916 de gerenommeerde psycholoog Karl Bühler (1879-1963) kennen, die haar enkele weken later prompt ten huwelijk vroeg. Via haar man, die in die tijd onderzoek aan de universiteit München onderzoek deed naar kinderspel, kwam Bühler op het spoor van de kinder- en jeugdpsychologie. In 1922 verhuisden de Bühlers, die inmiddels twee kinderen hadden, naar Wenen, waar Karl hoogleraar filosofie (en psychologie) werd en tevens colleges gaf in de pedagogiek voor basisschooldocenten in opleiding. Zijn seminars, die door honderden studenten werden bezocht, kwamen tegemoet aan de reformpedagogische behoefte om het onderwijs grondig en kindvriendelijk te moderniseren. Bühler werd zijn eerste onderzoeksassistente en hield zich aanvankelijk bezig met de psychologie van de puberteit en adolescentie. De Bühlers zouden een leven lang intensief samenwerken. Opmerkelijk is dat Bühler nooit in de schaduw van haar vrij beroemde man zou staan. In 1929 werd ze bijzonder hoogleraar psychologie aan de Universiteit Wenen.

Wie was Charlotte Bühler? 
Charlotte Bühler (1893-1974) was één van de eerste Europese psychologen die de ontwikkeling van baby’s en jonge kinderen nauwkeurig observeerde. Zij sloot aan op een grote maatschappelijke behoefte aan kennis over jonge kinderen. Haar onderzoek uit de jaren 20 en 30 werd internationaal bekend en maakte haar tot een van de grondleggers van de moderne ontwikkelingspsychologie.

Kinderübernahmestelle gemeente Wenen
Vanaf het midden van de jaren 20 hield Bühler zich bezig met empirisch onderzoek naar de ontwikkeling van baby’s en jonge kinderen. De keuze voor dit thema was allereerst pragmatisch: het sociaal-democratische bestuur van de stad Wenen had een grote behoefte aan kennis over kinderen, zuigelingenzorg, pleegzorg, kinderbescherming en gezinsopvoeding in het algemeen. De Eerste Wereldoorlog had desastreuze gevolgen gehad voor een grote groep Weense kinderen en jongeren, die verwaarloosd of in kindertehuizen onder erbarmelijke omstandigheden opgroeiden. In 1925 werd in Wenen de zogenaamde Kinderübernahmestelle heropend, het was een groot, naar de eisen van de tijd hygiënisch en licht opvangtehuis voor kinderen die om wat voor reden dan er alleen voor stonden. De kinderen werden hier enkele weken in quarantaine genomen en geobserveerd, om voor hen daarna de passende vorm van zorg te vinden.
De drijvende kracht achter dit project was Bühler. Ze verbleef in 1924 en 1925 met een onderzoeksbeurs aan de Columbia University (New York) om de empirische grondslagen van de Amerikaanse kinderpsychologie beter te leren kennen. Aan deze universiteit was een Nursery-afdeling verbonden, zodat onderzoekers direct empirische gegevens over het gedrag van jonge kinderen konden verzamelen. Bühler legde er contacten met de Rockefellerstichting, die haar toezegde grootschalig onderzoek in het Psychologisch Instituut Wenen naar jonge kinderen door middel van observaties tien jaar lang te financieren. Zo kon ze een team van tientallen onderzoeksmedewerkers aanstellen. Ze waren uit heel Europa en de Verenigde Staten afkomstig.

Test voor baby’s en jonge kinderen
In het Psychologisch Instituut Wenen liet ze in een zo natuurlijk mogelijke situatie 24-uurs observaties van (vele tientallen) baby’s en jonge kinderen uitvoeren. Dit bracht een schat aan nieuwe gegevens over de vroegkinderlijke ontwikkeling aan het licht. Deze verwerkte ze in twee veel gebruikte en aangehaalde publicaties. Allereerst in 1927 in de publicatie Tests voor baby’s en jonge kinderen. In samenwerking met haar belangrijkste onderzoeksmedewerkster Hildegard Hetzer had ze gestandaardiseerd testmateriaal ontwikkeld, waarmee de ontwikkelingsstand van de pasgeboren baby tot en met het zesjarige kind kon worden gemeten. De testsituaties hadden tot doel zes dimensies van de kinderlijke ontwikkeling en daarmee eventuele voorsprongen en achterstanden ten opzichte van een normale ontwikkeling bloot te leggen en visueel in kaart te brengen:
1. Zintuiglijke waarneming: (Hoe) reageert het kind op zintuiglijke prikkels?
2. Lichamelijke beweging: Hoe beweegt het kind zich? Hiertoe behoren ook alle karakteristieke bewegingen die in dienst staan van de beheersing van het eigen lichaam.
3. Sociale interactie: Hoe gaat het kind, in taal en handelingen, om met andere mensen?
4. Leren: In hoeverre leert het kind door allerlei ervaringen?
5. Omgaan met materiaal: In hoeverre verandert het kind al spelende zijn omgeving?
6. Geestelijke productiviteit: In hoeverre is het kind scheppend en denkend bezig, stelt het zich doelen en vindt het ook middelen om deze ver verwerkelijken?

De prestaties van het kind op deze testgebieden kon grafisch in kaart worden gebracht, zodat duidelijk en ook vergelijkbaar werd in welke mate het kind uitgroeide van een pasgeboren wezentje dat in eerste instantie alleen slaapt, beweegt, zintuiglijk waarneemt en zich laat horen tot een kind dat schoolrijp is en productief in de wereld staat. De resultaten van de tests moesten zo mogelijk precies en kwantitatief uitgedrukt en vergeleken kunnen worden. De tests mochten niet te tijdrovend zijn en niet al te moeilijk voor de praktijk van de zogenaamde eerste Erziehungsberatungsstellen (consultatiebureaus voor oudervoorlichting en ondersteuning) zijn. De uitspraken die over het kind gedaan konden worden, betroffen zijn ontwikkelingsstand gemeten aan een normale ontwikkeling. In de tweede plaats lieten de resultaten van de test iets zien over de individuele ontwikkelingsstructuur en daarmee over de oorzaken van een voorsprong of achterstand. Naar het voorbeeld van Berlijn en Wenen werden in steeds meer steden deze bureaus opgericht, onder andere ook in London, waar Bühler zelf directrice werd. De tests, regelmatig herzien of uitgebreid, werden tot in de jaren zeventig herdrukt.

Kindheit und Jugend
In 1928 publiceerde Bühler het boek Kindheit und Jugend. Genese des Bewusstseins, waarin ze een theoretisch overzicht over de cognitieve ontwikkeling van baby tot jongvolwassene in een vijffasenleer beschreef. Bühler: ‘Zoals een boom in de stam jaarringen vormt, zo vormen zich ook vanaf de geboorte tot aan de volwassenheid relatief afgesloten cycli, de vijf ontwikkelingsfasen.’
• Babytijd: 0 tot 1 jaar
• Peuter- en kleutertijd: 2 tot 4/5 jaar
• Beginnend schoolkind: 5 tot 8 jaar
• Gevorderd schoolkind: 9 tot 13 jaar
• Jeugd: 13 tot 19 jaar

Het is een theoretisch, deels filosofisch boek. Ze spreekt niet, zoals ze later in de jaren 50 deed, over individu en wereld, maar nog in filosofische termen van subject en object. Binnen de Europese psychologie was het tamelijk nieuw dat haar theorie grotendeels op observaties was gebaseerd. De belangrijkste grondslag om Bühler goed te begrijpen is haar biologische uitgangspunt Ganzheit. Ze gaat uit van het totale levensproces van een levensspanne. Deze totaliteit, die weer deel uitmaakt van de hele natuur, beschouwt ze als een voortdurende dynamische golfbeweging, waarin het subject blootgesteld is aan prikkels, die zowel van binnenuit als van buitenaf komen en spanningen oproepen. Hoe het subject door handelingen voortdurend hierop reageert, evenwicht herstelt en daardoor zijn functies traint en groeit, dat maakt het menselijk leven uit. Opgave voor het subject is zich in dit proces te blijven ontwikkelen. In Kindheit und Jugend beschrijft Bühler de genese vanaf de geboorte tot de volwassenheid. Ze behandelt in vijf hoofdstukken hoe kinderen zich door hun functioneren, hun eigen doen en reageren op prikkels naar een volgende fase begeven. Zij stelt vast dat dit met frustratie, genot en plotselinge stapjes gepaard gaat. Essentieel is voor Bühler dat de schijnbaar doelloze bewegingen die de (wakkere) baby vanaf de geboorte maakt, zich in de loop van het eerste levensjaar ontwikkelen tot een bewust experimenteren. Dit stukje bewustzijn zal later in het leven uitmonden in de voor de mens typische scheppende bezigheden. Zo werkt het deels ook met de taal. De baby van twee/drie maanden begint schijnbaar spelend te praten met urruh-urruh en lallende geluidjes. ‘Wat in het begin toevallig is, een gebeurtenis van de natuur, wordt ineens door de psyche actief opgepikt.’ Wel heeft de baby op zijn weg tot sprekend en handelend wezen personen nodig die in een warm contact met hem aangaan.
‘Het spel in het eerste levensjaar zijn die bewegingen die zonder noodzakelijkheid in een tevreden en rustige toestand van het kind met een zekere regelmaat herhaald worden. In het begin zonder enig ander materiaal dan het eigen lichaam, later met een ding in de hand.’
Het begrip rijping is de tweede biologische grondslag in Bühlers werk. Allerlei vermogens zijn in aanleg aanwezig en moeten als de ontwikkeling zover is, vanzelf gaan werken. Op basis van haar observaties stelde ze vast dat de stappen in de vroegkinderlijke ontwikkeling van het bewustzijn in een vaste volgorde verlopen. Al zijn de individuele verschillen tussen kinderen vaak groot, training kan daar niets aan veranderen.
‘Een kindje van zes maanden grijpt naar één blokje, als het zeven maanden oud is, houdt het in elke hand een blokje, met acht maanden botst het beide blokjes tegen elkaar, met elf maanden steekt het holle blokjes in elkaar en met anderhalf jaar bouwt het een toren.’
Toch laat Bühler hier direct een pedagogisch advies op volgen. Zodra het kind een zeker niveau van rijping heeft bereikt, dan moet de opvoeder daarbij aansluiten in vriendelijk contact, met de mimiek van het menselijk gezicht en een sprekende, lachende stem. Bühler benadrukt tegen de gewoonten van vele moeders in haar tijd in dat goed uitgezocht speelgoed geen luxe is, maar een must voor een gezonde ontwikkeling. Spel en menselijk contact met baby’s en jonge kinderen zijn van het grootste belang.
Tenslotte sluit Bühler pedagogisch aan bij de (hygiënistische) eisen van haar tijd, die tot in de jaren 50 van de 20e eeuw ook in Nederland gebruikelijk waren: baby’s en jonge kinderen varen wel bij Reinheid-Rust-en-Regelmaat. Er behoren vaste tijden voor voeding, vriendelijke verzorging en slaap in een schoon bedje te zijn. De ouders horen te hoeden voor overprikkeling door lawaaierige media als de radio die maar angsttoestanden teweeg kunnen brengen.
In 1938, met de Anschluss van Oostenrijk aan nazi-Duitsland, kwam zowel aan het vooraanstaande leven van de Bühlers in Wenen als ook aan de onderzoekspraktijk in Psychologisch Instituut abrupt een einde. Terwijl Bühler zich in Londen bevond, werd haar man in Wenen door de nazi’s gearresteerd. Door hulp van Noorse vrienden kwam hij vrij en kon Bühler samen met haar man naar de Verenigde Staten vluchten. In tegenstelling tot haar man lukte het Bühler opnieuw groot succes als psycholoog te boeken. Ze werd klinisch psycholoog, bouwde een eigen bloeiende psychotherapeutische praktijk voor volwassenen op in Los Angeles en werd naast Abraham Maslow en Carl Rogers grondlegger van de humanistische psychologie. Aan het eind van haar loopbaan gaf ze antwoord op de vragen van haar jeugd in het werk Grundtendenzen des Lebens. Bühler hoort tot de belangrijkste psychologen van de 20e eeuw.
Of het werk van Bühler in Nederland veel gebruikt is, is onbekend. In de jaren 30 heeft ze Nederland verscheidene malen bezocht om in reformpedagogische kringen (New Education Fellowship, Internationale school voor Wijsbegeerte) lezingen en voorlichting te geven over verantwoord speelgoed. Vast staat dat haar Kindertests ook in enkele Medisch Opvoedkundige Bureaus werden gebruikt. Regelmatig zijn er in moderne werken over de ontwikkeling van jonge kinderen vaststellingen te vinden die ook Bühler in de jaren 20 maakte, maar zonder dat haar naam hieraan verbonden wordt. Hoe dan ook, wat we van haar nog steeds kunnen leren is dat allerlei schijnbaar zinloze handelingen van baby’s en jonge kinderen een functie hebben en dat spel en speelgoed op jonge leeftijd voor de ontwikkeling niet zinvol maar zelfs noodzakelijk zijn.

Book iconLiteratuurlijst

• Bühler, C. & Hetzer, H. (1932): Kleinkindertests. Entwicklungstests vom 1. bis 6. Lebensjahr. Berlijn: Springer.
• Bühler, C. (1928). Kindheit und Jugend. Leipzig: Verlag Psychologie Hogrefe.
• Riksen-Walraven, M. (1996). Inspelen op baby’s en peuters. Ontwikkelingsspelletjes. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
• Hildegard, H. (1973). Spiel und Spielzeug für jedes Alter. Lindau: Verlag Kleine Kinder.