Profile

HJK draait om de wereld van het jonge kind

Columns
30/12/2020
Leestijd 2-3 minuten
Geschreven door Aleid Truijens

Práát met dat kind!

Ik ga steeds meer op mijn moeder lijken. In gedrag. Nog niet zo lang geleden vond ik dat hinderlijk. Want wat heb ik me, als schoolkind en puber, geërgerd aan dat lieve mens. Met een rood hoofd de andere kant op kijkend stond ik ernaast. Als ze kirrend haar hoofd in een kinderwagen met wildvreemde baby wierp. Als ze zich op hoge toon bij de groenteman beklaagde om een rotte appel. Als ze op straat luidkeels alles aanwees en liedjes zong. En vooral als ze onbekende volwassenen en kinderen aansprak op hun gedrag. Raar mens! O, die schaamte. En dáár dan weer schaamte over, want voor zo’n schat van een moeder mag je je niet schamen.

Save the children

Niet al haar gedrag heb ik overgenomen. Ik dwing schoolkinderen op straat niet om lege chipszakken in de vuilnisbak te gooien, ik kijk wel uit. Maar als ik in de tram een ouder met een peuter of kleuter tegenkom die onafgebroken op zijn telefoon kijkt, zonder te praten tegen het kind – alsof het een zak meel is en niet zijn allerliefste die hem hoopvol aankijkt – dan reïncarneer ik acuut in mijn moeder. Ik begin een gesprek met dat kind, waar het naar toe gaat, wat een mooie muts het heeft. Hiermee wil ik, ik geef het toe, de nalatige ouder iets inwrijven: práát met dat kind! Klets hem de oren van de kop, de hele dag door. Anders leert hij het niet.
Niet iedereen kan pianoles geven of voetbaltrainer zijn, maar in de allerbelangrijkste vaardigheid, taal gebruiken, zijn we allemaal leerkracht. Een grote verantwoordelijkheid. Dat kinderen taal, zoals in het openingsverhaal wordt betoogd, niet leren uit taallesjes, maar uit het echte leven, door imitatie, uit de context, is zó waar dat we het bijna vergeten. Kinderen zijn van nature dorstige taalsponzen, maar je moet ze wel iets aanbieden.
Volgens taalonderzoekers leren peuters en kleuters zo’n vijf nieuwe woorden per dag. Eerst begrijpen ze wat ermee bedoeld is, en als ze het een paar keer in een context hebben gehoord, gaan ze het woord zelf gebruiken. Het is dus belangrijk dat ouders, grootouders, peuterleidsters en leerkrachten voortdurend praten met kinderen. Benoem alles: eten, dieren, mensen en speelgoed. Geuren, kleuren, aantallen, ervaringen, gedrag en emoties. Zo geef je de wereld betekenis.
Kinderen die al in weelde leven, krijgen ook het beste taalaanbod – zo oneerlijk is het. Volgens een onderzoek uit 1995 horen kinderen uit de sociale bovenklasse zo’n 2100 woorden per uur, kinderen uit de laagste milieus 600 woorden. En dat merk je in hun ontwikkeling: kinderen tegen wie weinig is gesproken, lopen vaker vast op school en in hun werk.
Tegenwoordig zitten alle ouders, óók de hoogopgeleiden, vaker op hun telefoon dan in 1995. Wie cynisch is, kan zeggen: dat trekt het een beetje recht. Maar laten we liever die telefoontjes vaker wegleggen. Mijn moeder had gelijk: niet is zo heerlijk als de hele dag gezellig kletsen met een kind.

Aleid Truijens