Zintuigenverhaal: ervaar het verhaal

pp.04-06_Gerkema_HJK december 2017_ZintuigenverhaalEen kind voorlezen is belangrijk, maar wat doe je als een kind de aandacht niet bij het verhaal kan houden of de gewone voorleesboeken niet begrijpt? Zintuigenverhalen zijn voorleesverhalen op maat waar zintuiglijke elementen aan toegevoegd zijn. Hierdoor ontstaat er (weer) plezier in het voorlezen en worden taal en communicatie gestimuleerd.

Voor alle kinderen, maar zeker voor jonge kinderen en kinderen met taal-, aandachts- of leerproblemen, wordt voorlezen extra interessant als er wat te beleven, te ruiken, te voelen of te doen is. De zintuiglijke ervaringen helpen om de aandacht te richten en om beter te onthouden. Er is een methode ontwikkeld voor kinderen met een combinatie van beperkingen, omdat voor hen ‘gewoon’ voorlezen eigenlijk onmogelijk is. Door het toevoegen van zintuiglijke objecten aan een voorleesverhaal kunnen deze kinderen hun aandacht wél vasthouden én komt er meer interactie tussen kind en voorlezer. Hoewel deze methode ontwikkeld is voor een specifieke doelgroep, is deze goed toepasbaar bij andere doelgroepen.

Belang van voorlezen
Voorlezen is belangrijk en stimuleert de ontwikkeling van kinderen (Haven, 2007). Voorlezen is van invloed op de interactie en communicatie, omdat je samen gericht bent op hetzelfde. Je hebt daardoor dezelfde context voor de communicatie en begrijpt elkaar sneller. Door het voorlezen raken kinderen geïnteresseerd in boeken en zo stimuleer je de (beginnende) geletterdheid. Ook voor kinderen met beperkingen blijkt voorlezen belangrijk te zijn. Het stimuleert de gedeelde aandacht en helpt om sneller communicatie te begrijpen en om taal te leren (Liboiron & Soto, 2006). Voorlezen gaat niet vanzelf voor deze kinderen. Ze begrijpen niet waar het boekje over gaat, hebben een andere manier van communiceren dan gesproken taal (gebarentaal, afbeeldingen, tast) of kunnen hun aandacht niet richten. Als een kind passief reageert bij het voorlezen is dit demotiverend voor de voorlezer. Aan veel van deze kinderen wordt op een gegeven moment nauwelijks voorgelezen (Grove, 2013; DesJardin et al., 2014).

Interactief voorlezen
Vaak helpt het als er interactief voorgelezen wordt. Vragen stellen, contact maken over de bladzijden en het toevoegen van extra elementen (zoals bewegende, zintuiglijke objecten) aan bestaande voorleesboeken blijkt voor veel kinderen al positief effect te hebben. Je wordt bij het verhaal betrokken, er beweegt iets, er is wat te voelen en daar kun je samen weer verder over praten (Mol, Bus, De Jong, & Smeets, 2008). Er zijn dan boeken nodig die de kinderen aanspreken qua onderwerp en belevingswereld, en daar zit een knelpunt: een deel van de kinderen met (een combinatie van) verstandelijke en zintuiglijke beperkingen hebben een andere belevingswereld en herkennen dus niet of minder de verhalen en afbeeldingen uit boeken die qua cognitieve ontwikkelingsleeftijd wél aansluiten. Een verhaal over zindelijk worden, laat bijvoorbeeld plaatjes zien met een kleine peuter, terwijl je het voorleest aan een kind van 8 jaar met een ontwikkelingsachterstand. Of het verhaal gaat over een land waar het kind nooit geweest is, terwijl het kind de tafel in de woonkamer nog niet kan benoemen. Het kind kan dan genieten van het voorlezen als gezamenlijke activiteit, maar de inhoud van het verhaal sluit niet aan bij de belevingswereld en communicatiemogelijkheden. Bij sommige boeken kun je de hoofdpersoon ook als losse knuffel bij het verhaal inzetten (bijvoorbeeld bij We hebben er een geitje bij of Kikker). Dit trekt de aandacht en brengt sneller communicatie op gang. Het vraagt een vorm van fantasie die voor kinderen met communicatieproblemen (nog) moeilijk is. Als de pop of knuffel de zintuiglijke ervaringen meemaakt, is dat te veel op afstand – de kinderen hebben zélf de ervaringen nodig om te begrijpen waar het over gaat.

Wil je verder lezen maar heb je nog geen abonnement? Klik dan hier.
Heb je een abonnement en wil je digitaal verder lezen? Klik dan hier.