Uitdagende gesprekken voeren

pp.28-31_Elenbaas van Ommen_HJK mei 2018_GesprekOp 28 november 2017 promoveerde Chiel van der Veen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij is redactielid van HJK sinds 2015. Van der Veen werkte na het afronden van de pabo (in 2008) als leerkracht op verschillende basisscholen en haalde zijn master Onderwijspedagogiek in 2010, voordat hij in 2012 besloot om zijn dissertatie te schrijven bij prof. dr. Bert van Oers en prof. dr. Sarah Michaels (Clark University). Sinds die tijd is hij werkzaam bij de sectie Onderwijswetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam.

In dit artikel wordt teruggekeken op de verdediging van het proefschrift Dialogic classroom talk in early childhood education waar Van der Veen op promoveerde aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Allereerst volgt een samenvatting van de dissertatie. Daarna wordt ingegaan op de indruk van de verdediging van het proefschrift. Tenslotte wordt bij Van der Veen nog eens doorgevraagd op thema’s uit zijn proefschrift, die voor de lezers van HJK belangrijk zijn bij het optimaal omgaan met jonge leerlingen in de klas.

Aanleiding voor de dissertatie
De probleemstelling voor de studies waarop Van der Veen promoveerde was de constatering dat interactie tussen leerkracht en leerlingen toch vaak eenzijdig is. Het is vooral de leerkracht die het woord heeft en houdt en dat met de beste bedoelingen natuurlijk: zij weet meer dan de leerlingen en wil graag haar kennis overdragen. Toch is het ook van belang dat leerlingen wel praten met de leerkracht, dat ze mee kunnen zoeken naar een mogelijk antwoord, dat ze mee mogen denken. Het gaat om het voeren van uitdagende gesprekken waarin kinderen en leerkracht hun ideeën delen, serieus naar elkaar luisteren, samen redeneren en voortbouwen op elkaars ideeën (Van der Veen & Van Oers, 2016). Van der Veen (2016) noemt dit ‘dialogische gesprekken’, en uit internationaal onderzoek blijkt dat kinderen daar veel van opsteken: ze leren beter communiceren en redeneren, ze gebruiken meer woorden, en doen veel kennis op (zie Resmick, Asterhan, & Clarke, 2015). Van der Veen verdiepte zich daarom eerst in de al beschikbare literatuur.

Hij concludeert dat bij dialogische gesprekken, ook wel productieve gesprekken genoemd, sprake moet zijn van een onderwerp dat de leerkracht en de kinderen delen: alle deelnemers aan het gesprek moeten iets over dit onderwerp kunnen én willen zeggen. Het onderwerp moet dus uit de leefwereld van het kind komen, zoals bijvoorbeeld het thema ‘Dieren’. Vervolgens moet het gesprek letterlijk ruimte geven aan de kinderen: ze moeten de kans krijgen om hun gedachten onder woorden te brengen, ideeën te opperen en met elkaar na te denken. Soms weet de leerkracht meer, maar het kan ook in een boek staan en dan kunnen de kinderen zelf antwoorden zoeken. Van der Veen bespreekt in zijn dissertatie voorbeelden van dialogische gesprekken en illustreert zo hoe zulke gesprekken leiden tot de eigen ‘stem’ van het kind. Hij benadrukt dat het voeren van een dialogisch gesprek veel oefening vergt. Aan de hand van deze grondige verkenning van de theorie en de onderwijspraktijk zijn twee studies gedaan (deel 1 van het proefschrift is met name conceptueel van aard. Deel 2 betreft de beschrijving van empirische studies). Deze worden een voor een beschreven en vervolgens in een overkoepelende discussie besproken.

Wil je verder lezen maar heb je nog geen abonnement? Klik dan hier.
Heb je een abonnement en wil je digitaal verder lezen? Klik dan hier.