Taal leer je met je lijf

HJK Basisschool Het Anker AmersfoortAls je denkt aan taalontwikkeling op school, dan richt je je blik vaak op het doen van allerlei talige activiteiten. Met activiteiten rond woorden, zinnen en verhalen probeer je de taalontwikkeling van kinderen de stimuleren. Taalactiviteiten zijn belangrijk voor kinderen, maar die woorden, zinnen en verhalen kunnen alleen gaan leven als zij die kunnen koppelen aan hun eigen ervaringswereld (Fischer & Zwaan, 2008). Zonder die ervaringen is taal betekenisloos. Taalontwikkeling stimuleer je niet alleen met talige activiteiten. Ervaringen die je opdoet met je hele hebben en houden moeten namelijk centraal staan bij taalactiviteiten.

Als kinderen de wereld om zich heen willen leren kennen, zetten ze daar hun hele lijf voor in. Ze pakken een veertje dat ze op de grond zien liggen en voelen eraan met hun vingertoppen. Ze merken dat het veertje nauwelijks iets weegt, en strelen ermee langs hun wang of de binnenkant van hun arm. Ze gooien het omhoog en ontdekken dat het langzaam naar beneden dwarrelt. Nog voor het de grond raakt, proberen ze het weg te blazen. De kennis die kinderen op die manier opdoen, heeft alles te maken met de mogelijkheden die hun lichaam hen biedt tot het opdoen van deze ervaringen.

Ons lichaam
Maar hun lichaam biedt niet alleen mogelijkheden om de wereld te leren kennen, het beperkt ook de mogelijkheden waarop je de wereld kunt leren kennen. Het zou natuurlijk leuk zijn om te voelen hoe het is om omhoog te fladderen net als dat veertje, of om vanuit je achterhoofd naar het veertje te kijken, maar dat lukt nooit, omdat je lichaam daar niet voor gemaakt is. Terwijl het wel lukt om als het veertje wegdwarrelt, erachteraan te lopen om het te vangen. Dat wat we leren kennen en weten, krijgt vorm door de mogelijkheden én de beperkingen van ons lichaam. Daarmee is het kennen en weten van kinderen in de eerste plaats lichamelijk en niet cognitief of intellectueel. Wij zijn niet ons brein, maar ons lichaam (Merleau-Ponty, 1945). Hele jonge kinderen zijn zich nog nauwelijks bewust van hun bestaan, maar doen al een hoop ervaringen op. Door er gewoon te zijn, raken ze verbonden met de wereld in een wederkerig proces: met hun lichaam hebben zij invloed op de wereld, maar de wereld heeft ook invloed op hen. Ga maar na, als een kind leert om al wiebelend zijn balans te houden op een stoeprandje, krijg het dat gaandeweg het lopen over dat stoeprandje onder de knie, maar hij zal ook regelmatig vallen. Die val vormt een kind, hij zal nog meer zijn best doen om balans te houden en tegelijkertijd leren dat je na zo’n val ook weer op kunt staan. Met vallen en opstaan, leert hij de wereld kennen. Met zijn lichaam leert hij zo hoe het voelt om in of uit balans te zijn (Johnson, 1987). Nog voor er taal aan te pas komt zijn veel ervaringen al deel van de kennis van de wereld van een kind. Door er te zijn, waar te nemen, te verkennen en te reageren op de omgeving, vormt en ontwikkelt een kind zich en geeft het betekenis aan de wereld (Tomasello, 2003).

Wil je verder lezen maar heb je nog geen abonnement? Klik dan hier.
Heb je een abonnement en wil je digitaal verder lezen? Klik dan hier.