Klimmen tot je erbij neervalt

BeestenboelRavotten, klimmen, stoeien, duikelen, springen, struikelen en weer opstaan. Leuk, spannend en waardevol. Maar niet zonder gevaar. Veel leerkrachten worstelen met buitenspel en risicospel van jonge kinderen. Terwijl de buitenruimte ervoor zorgt dat kinderen gaan bewegen. Hoe kun je met buitenonderwijs de motorische ontwikkeling ofwel het bewegingsonderwijs veilig ondersteunen? En wat is de rol van vertrouwen daarin?

‘Soms zegt een ouder dat kinderen buiten “slechts aan het spelen zijn”. Buiten wordt er wel geleerd, maar binnen is het échte leren, is dan de gedachte’, ervaart een leerkracht. ‘Nee, het schoolplein is meer dan een speelplein, het is een educatieplein, een leerplein. Leerkrachten zijn geen pleinwacht, maar pleinkracht. Misschien wordt er buiten nog wel meer geleerd dan binnen. Dat inzichtelijk maken voor anderen is een enorme uitdaging.’

Een leven lang bewegen
Waarom buitenonderwijs zinvol is, is niet voor elke leerkracht en ouder duidelijk. Dat er buiten misschien wel meer geleerd wordt dan binnen, zit hem in het gegeven dat je buiten tegelijkertijd aan rekenen, sociaal-emotionele en motorische ontwikkeling kunt werken. Zelfs taalontwikkeling komt meer op gang door middel van bewegen in de buitenruimte (Prins & Hovinga, 2017). Door bewegen en de buitenruimte in te zetten als middelen om tot spel en leren te komen en niet als doel op zich, transformeer je het speelplein tot een leerplein (De Jonge, 2016). Dit sluit ook aan bij het gegeven dat in het merendeel de basisscholen geen vakleerkrachten bij de kleuters inzetten (Brouwer, Van Berkel, Van Mossel & Swinkels, 2015). In de bovenbouw gaan vakleerkrachten dus vooral aan de slag met hoe kinderen op de juiste manier bewegen, daar waar in de onderbouw de leerkracht vooral bewegen in kan zetten om aan de brede ontwikkeling van het kind te werken. Tevens wordt op deze manier de attitude om een leven lang te bewegen gestimuleerd.

Bewegen in en met natuur
De meerwaarde van het gebruik van natuur in de buitenruimte is wetenschappelijk en praktisch beschreven in onder andere Het laatste kind in het bos (Louv, 2007). Ook dichter bij huis wordt onderzoek gedaan naar de ‘leer’kracht van schoolpleinen (Wesselius, Hovinga, & Maas, 2015). Maar wie dagelijks met kinderen werkt, ziet dat je kinderen maar op een (goed ingericht) schoolplein hoeft te zetten en er ontstaan vanzelf vormen van klauterspelen, balanceerspelen en stoeispelen. De natuur en de buitenruimte dagen uit, want in bomen wil je klimmen en over sloten wil je springen. Een kind dat met de poten in de modder staat, voelt zich weer even een oermens en met takken kun je al op vierjarige leeftijd een pijl en boog maken als een indiaan. Kinderen leren zo spelenderwijs een stukje geschiedenis, hun fantasie te gebruiken, ze bouwen kennis op van planten en natuurlijke materialen en worden buiten getriggerd zich fysiek en motorisch te ontwikkelen.

Wil je verder lezen maar heb je nog geen abonnement? Klik dan hier.
Heb je een abonnement en wil je digitaal verder lezen? Klik dan hier.