Het kind speelt écht niet of niet écht!

pp.22-25_Van den Heuvel_HJK november 2017_Fantasie‘Mijn spelen is leeren, mijn leren is spelen’,
Heeft eens een mijnheer met een staartpruik gezegd,
Maar ik zit me hier dan bedroefd te vervelen,
Dat léérende spelen bevalt me maar slecht (Van der Pol, 2005).

Een citaat van Lev Vygotsky (1896-1934) over spel dat bekend is, is: ‘Spel creëert een zone van naaste ontwikkeling, in het spel is het kind als het ware een hoofd groter dan in de werkelijkheid.’ Het is van belang dat een kind speelt en zich daardoor onbewust ontwikkelt. Hoe kun je als leerkracht een kind begeleiden dat niet tot spel komt of dat spel laat zien dat ‘anders’ is, wat je niet begrijpt of dat over grenzen gaat. Als een kind niet weet hoe het om moet gaan met spelmateriaal, als een kind niet durft te spelen, als het kind geen onderscheid weet tussen fantasie en werkelijkheid, spreekt Vermeer (1955) van een ‘niet-speelwereld’. ‘Gezamenlijk spelgedrag vormt een context waarin het kind kan leren en zichzelf kan ontwikkelen. Het is een gezamenlijke communicatie waarbij een speelse begeleider onmisbaar is’ (Groothoff, Jamin, & Beer-Hoefnagels, 2009). Dat betekent dat je als leerkracht invloed hebt op en betekenis kunt geven aan het spel van het kind. Vanuit deze overtuiging is spelbegeleiding een positieve interventie die het kind verder kan helpen in de ontwikkeling.

Spelanalyseschema
In het kader ‘Spelanalyseschema’ op de volgende pagina is te zien dat wanneer een kind ‘echt’ speelt het zich bewust is van de werkelijkheid en de fantasie (middelste kolom). Het kan in het spel schakelen van fantasie naar werkelijkheid en andersom, het kind kan uit het spel stappen en er ook weer in. Wanneer een kind links in de niet-speelwereld speelt, dan wordt het bijvoorbeeld overweldigd door fantasie (Van der Graaff, 1993). Het kind speelt niet dat het een ridder is, maar het wordt een ridder, waardoor het spel destructief kan zijn. Speelt het kind rechts in de niet-speelwereld, dan komt het mogelijk niet tot spel. Het spel blijft normatief (het kind wil niet vies worden), het kind blijft toekijken of het speelt enkel hele concrete situaties uit de werkelijkheid na. In de middelste kolom van het spelanalyseschema zijn de spelwerelden te zien die iets zeggen over het verloop van de spelontwikkeling. Je leest het schema van onder naar boven. De speelwerelden kunnen ook naast elkaar plaatsvinden.
• De Speelwereld als Illusieve Wereld (SIW): vanaf 3 jaar.
• De Speelwereld als Esthetische Wereld (SEW): vanaf 2 jaar.
• De Speelwereld als Hanteerbare Wereld (SHW): vanaf 9 maanden.
• De Speelwereld als Lichamelijke Wereld (SLW): vanaf 3 maanden.

Naast de speelwerelden van Vermeer (1955) is het ook van belang om te weten of het kind al inzicht heeft in regelspel (Piaget, 1972), zoals gezelschapsspelletjes, waarbij het bedenken van een strategie belangrijk is, dat ontstaat vanaf ongeveer 5,6 tot 6,0 jaar.

Wil je verder lezen maar heb je nog geen abonnement? Klik dan hier.
Heb je een abonnement en wil je digitaal verder lezen? Klik dan hier.